Lifestyle - De herdersjongen van Bethlehem

De herdersjongen van Bethlehem

Het was veel drukker dan anders op het kleine, ronde plein voor de poort van Bethlehem. De zon had al haar hoogste punt bereikt en het was erg warm. Uit een van de nauwe straten die op het plein uitkwamen, kwam een vrouw met een waterkruik op het hoofd, op weg naar de bron, even buiten de stadspoort.

Zij had zeker haast, want er kwam een ontevreden trek op haar gezicht, toen een ezel, beladen met enkele zware pakken, haar de weg versperde. ‘Ga je op dit uur naar de bron?’ vroeg een andere vrouw, die een ogenblik zat te rusten op een lage, stenen bank.

‘O, dat heb ik te danken aan de jongen, die ik uit medelijden in mijn huis opgenomen heb. Toen ik hem vanmorgen straf gaf, omdat hij weer niets uitvoerde, smeet hij de waterkruik omver en zodoende had ik geen water meer en moet het nu al gaan halen. Maar ik heb hem gezegd dat hij in mijn huis niet meer hoeft te komen. Hij groeit op voor galg en rad, dat is de zuivere waarheid.’

‘Het is ook wel erg, als je geen vader of moeder meer hebt om voor je te zorgen. Hij moet zich wel erg eenzaam voelen,’ zei de andere vrouw. Ze dacht eraan hoe de vrouw de jongen waarschijnlijk alleen maar in huis had gehaald, omdat hij sterk was en goed kon werken.

‘Als je denkt dat hij dankbaarheid toont, omdat ik hem van de straat opgeraapt heb, heb je het mis’, was het antwoord. ‘Maar kom, ik ga water halen, anders kom ik niet klaar.’ ‘Ja, ik ga ook weer eens verder.’ En de beide vrouwen verplaatsten zich; de een ging door de poort en de ander liep een smalle straat in, waar ze stilstond voor een uitstalling.

Toen ze beiden niet meer in de buurt waren, kwam een jongen voorzichtig langs de muur dichter bij de poort. Hij keek telkens om zich heen, alsof hij bang was om ontdekt te worden. ‘Ze is weg,’ mompelde hij, toen hij voorbij de Romeinse schildwacht door de duistere poortopening langs de slingerende witte weg probeerde te kijken.

Hij zag er slordig uit; zijn voeten waren stoffig en vuil, zijn gitzwarte haren hingen ongekamd af tot op zijn schouders en zijn kleren waren hier en daar gescheurd. Toch floot hij een vrolijk wijsje en keek onbezorgd rond, toen hij ervan overtuigd was dat er geen gevaar meer dreigde voor hem.

Maar langzamerhand kreeg zijn gezicht een peinzende uitdrukking en hij staakte zijn gefluit. ‘Ik geloof dat zowat iedereen een hekel aan me krijgt,’ zei hij zacht voor zich uit. ‘Maar het kan me niet schelen wat ze doen. Misschien heb ik het er ook wel naar gemaakt.’

‘Hé, David, wat sta je daar te kijken? Je ziet er net uit of je zowat alles verloren hebt’, klonk een vrolijke stem. Een jonge herder stak het plein over in de richting van de stad. Verrast draaide de jongen zich om. Hij liep naar de herder toe. ‘Ze heeft me weggejaagd’, zei hij dan zacht, zodat alleen de herder het kon horen.

‘Ze sloeg me weer en zei dat ik lui was. Toen werd ik kwaad en schopte de waterkruik om. Dat maakte haar razend en ze stuurde me weg. Voorgoed.’ ‘Kom, kom, zo’n vaart zal het niet lopen,’ zei de herder. ‘Als zij iets zegt, meent zij het. Dat verzeker ik je. En ik ga niet terug om morgen weer de deur uitgejaagd te worden.’

‘Ja, dan wordt het anders,’ zei de herder ernstig. ‘Zeg, Sam, luister eens. Kan ik niet bij jullie blijven? Doe eens een goed woordje voor me bij de oude Jozua. Als hij het goedvindt, hebben de anderen er vast niets op tegen. Wil je dat doen? Ik zal heus goed mijn best doen…’

‘Ik wil het wel voor je vragen. Maar het is niet gemakkelijk, David.’ ‘Mag ik straks al komen?’ vroeg de jongen gretig. Hij lette niet eens op wat de herder hem zei. ‘Vannacht zijn we buiten in het veld om de wacht te houden, en de nachten zijn koud.’ ‘Dan zal ik hout rapen voor het vuur. Mag het dan?’ ‘Mij best, maar ik kan je niet beloven dat je mag blijven. Daar moet ik eerst met de anderen over praten.’

De herder ging verder en de jongen wilde juist de poort doorgaan, toen langs de weg een man en een vrouw naderden. Ze liepen heel langzaam en de vrouw scheen erg vermoeid. Toen de vrouw de bank zag, liep zij erheen en viel er doodvermoeid op neer. De man boog zich naar haar over, zei iets op zachte toon en ging toen verder de stad in.

De jongen keek naar de vermoeide vrouw, die met half gesloten ogen tegen de muur geleund zat. Ze hadden zeker een lange reis achter de rug. Hij kreeg een gevoel, alsof hij haar zou moeten helpen, maar hij durfde niet tegen haar te spreken. Plotseling rende hij weg, ging een deur binnen, die op het plein uitkwam.

Even later kwam hij terug met een aarden kom, die bijna tot aan de rand met fris water gevuld was. ‘Een beetje drinken zal je goed doen,’ zei hij wat verlegen tegen de vrouw. Zij knikte hem dankbaar toe en dronk gretig van het water. De jongen nam de kom weer op en bracht die terug naar het huis, waar hij die geleend had.

Toen hij terugkeerde, zag hij dat de man uit de stad weer gekomen was. ‘Er is nergens plaats voor ons,’ zei de man. ‘De herberg is overvol en ik heb niemand kunnen vinden die ook maar een klein plekje had.’ ‘Maar we moeten toch ergens onderdak vinden’, zei de vrouw. Haar stem klonk wanhopig. ‘We kunnen niet de hele nacht buiten blijven.’

De jongen wilde iets zeggen, maar sprong plotseling vlug opzij. Hij zag een vrouw met een kruik op het hoofd dichterbij komen en drukte zich in een kleine nis tegen de muur. Hij kon het gesprek dat nu volgde, duidelijk verstaan. ‘Jullie komen zeker van ver, dat je zo stoffig bent’, zei de vrouw, terwijl ze de reizigers van het hoofd tot de voeten opnam en daarbij zag dat ze niet tot de rijken behoorden.

‘Wij komen uit Nazareth en hebben dagenlang gereisd om ons hier te laten inschrijven’, antwoordde de man. ‘Ja, ja, die daar’, zei de vrouw en ze knikte in de richting van de schildwacht, die roerloos als uit steen gehouwen in de poort stond, ‘hebben al heel wat ellende over ons gebracht. Het wordt tijd dat ze uit het land gejaagd worden.’ ‘Het zou niet zo vreselijk erg zijn,’ antwoordde de man, ‘als we maar een plaats konden vinden om de nacht door te brengen. Ik heb overal gevraagd, maar niemand had iets.’ Hij keek de vrouw hoopvol aan. Zou zij iets weten? ‘Ja, het is vol vreemdelingen en dat komt door die ellendige volkstelling. Anders zou er plaats genoeg zijn. Vraag hem,’ en ze wees naar de schildwacht, ‘want eigenlijk is het toch zijn schuld dat jullie op het ogenblik hier zijn.’ Het was blijkbaar als grapje bedoeld, want ze lachte, terwijl ze enigszins gehaast haar weg vervolgde.

‘Geen plaats’, zei de vrouw treurig tegen de man. ‘Wat een teleurstelling na zo’n lange reis. En het kind…’ Maar nu kwam de jongen uit zijn schuilkoek tevoorschijn en zei: ‘Ik weet nog wel een plekje. Het is niet mooi en niemand zou er willen zijn, maar het is er wel droog en warm.’

‘Wijs ons de plaats en dan kunnen wij verder zien.’ Het was de man, die de jongen het antwoord gaf. ‘Het is de stal,’ zei de jongen langzaam. ‘De schapen zijn vannacht buiten en er ligt stro.’ Hij ging hen voor, de poort uit langs de schildwacht, die onverschillig voor zich uit staarde. Het ging hem ook niet aan.

De lage deur van de stal ging met een krakend geluid open en ze stonden in het schemerduister. De jongen legde wat stro in een hoek en de vrouw ging erop zitten. Ze glimlachte. ‘Wat is het hier koel. Vannacht zal het hier warm zijn, als de wind over de vlakte waait’, zei ze dan. ‘Er is water in de kruik en hier is ook nog een kleine lamp’, zei de jongen. Hij wees naar een plek aan de muur, waar een klein onooglijk lampje hing. ‘Ik dank je’, zei de man en de jongen kreeg een kleur van plezier.

Zijn hart was licht en blij. Vrolijk ging hij op zoek naar takken voor het wachtvuur dat die nacht zou branden, want het zou wel koud worden als de zon een paar uur onder was. En hoewel hij bedacht dat hij geen mantel had om zich in te wikkelen en bij het vuur te slapen, kon deze gedachte toch niets van zijn plezier doven.

De eerste sterren verschenen aan de bleekblauwe hemel, toen de jongen vuur sloeg en de vonken aanblies tot een aarzelend vlammetje, dat langzaamaan groter werd. Een ijle rook steeg omhoog, terwijl in de verte het geblaat van schapen klonk en de stemmen van de herders, die dichterbij kwamen.

Een van hen droeg een lam op zijn schouders. Het moederschaap liep vlak achter hem en blaatte verheugd, toen hij het lam voorzichtig op de grond zette. De herders liepen nu op het vuur toe. ‘Je hebt goed voor ons gezorgd, David’, zei Samuël, de jonge herder, opgewekt, terwijl hij zich in zijn mantel wikkelde en ging zitten.

Rondom was het stil. Alleen kwam over de heuvels de koude nachtwind, die zacht zingend over de vlakte streek en in de duistere verte geruisloos verdween. De herders begonnen te eten. De jongen had niets, maar de anderen gaven hem wat van hun brood, nadat Samuël ermee begonnen was.

‘Het was vandaag erg druk bij de poort’, zei Samuël. ‘Dat zal wel’, antwoordde een ander. ‘En dat alles door die ellendige volkstelling. Van heinde en verre komen de mensen, of het hun schikt of niet. Ze worden gewoon gedwongen. De herberg is nog nooit zo vol geweest.’

De jongen dacht aan de twee, die geen plaats hadden kunnen vinden en die nu in de stal waren. Maar hij zei niets, omdat hij verreweg de jongste was. ‘Wanneer zal er een einde komen aan de heerschappij van dat vreemde volk? We zitten er al zo lang op te wachten en iedereen heeft het erover.’

Het was een jonge herder, die dit zei en zijn stem klonk bitter en ongelovig. ‘Zo moet je niet spreken’, zei een ander. ‘Als de Messias komt, en dat is ons lang geleden beloofd, dan krijgt geen enkele Romein meer een kans en zal ons volk weer zijn als in de dagen van David.’


Het was een poosje stil en men kon alleen het zachte knetteren van het vuur horen. Geen schaap bewoog zich. Het scheen of alles rustte. Zelfs de roofdieren leken de kudde met rust te laten. ‘Dat zal een prachtige tijd zijn’, zei Samuël dromerig. ‘Een groot volk, dat machtig is en bekend door de hele wereld. Het moet heerlijk zijn om bij dat volk te horen. Ik kan me bijna niet voorstellen hoe dat zal zijn, als de Messias op de troon van David zal zitten, nadat hij al zijn vijanden verslagen heeft.’ De jongen luisterde met grote aandacht. Hij had graag wat willen vragen, maar hij durfde niet en zweeg.

Hij dacht: Van die Messias zou ik wel een soldaat willen zijn en met hem vechten in vreemde landen. Dan zou ik nog eens veel van de wereld kunnen zien. Het zou nog heel wat anders zijn, dan herdersknaap te blijven in de buurt van Bethlehem. Ik zou misschien wel over zee varen en aan verre stranden de banier van onze Koning planten.

Hij werd opgeschrikt uit zijn gedachten, doordat een herder plotseling naar de oudste uit de kring toeboog en zacht vroeg: ‘Wat denk jij van dit alles, Jozua? Je hebt gehoord wat de anderen zeiden en jij bent de oudste en dus de verstandigste van ons allemaal. Je weet het meest van de heilige boeken, want de geleerden hebben je daar vaak uit voorgelezen. Zou je ons niet wat kunnen vertellen?’ Zij gingen allemaal dichter bij het vuur zitten. De jongen legde er nog wat hout op, want het werd kouder. Hij huiverde in zijn dunne kleren. Toen de vlammen hoger opsloegen, stak hij een ogenblik zijn bruine handen naar hun warmte uit. Samuël zag het. Kom maar hier, zei hij vriendelijk en sloeg een slip van zijn mantel om de schouders van de jongen.

‘Ik zal jullie straks iets zeggen’, zei de oude herder met het verweerde gezicht en zijn gebogen rug, waarover de stormen van het leven heengegaan waren. ‘Maar wees eerst eens stil en luister, want het is een vreemde nacht. Ik heb het nooit meegemaakt, dat het wild gedierte niet op roof uittrok.’ De anderen keken een beetje verbaasd en plotseling voelden allen hoe stil het was.

Boven hun hoofden straalden de sterren in hun eeuwige pracht. Het was hun of alles de adem inhield en geen enkel geluid verstoorde de diepe stilte, die rondom hen was. De heuvelachtige vlakte om hen heen had niets geheimzinnigs meer, zoals zo vaak in andere nachten, en het scheen hun of deze uren een wonder van God waren.

De stem van de oude herder was heel zacht, toen hij eindelijk begon te praten, alsof hij bang was de stilte, die zo zeldzaam is op deze wereld, te verstoren. ‘In de oude heilige boeken van ons volk,’ begon hij, ‘is ons de Messias beloofd, die ons zal verlossen. Hij zal ons geluk brengen, maar niet het geluk dat jullie verwachten en waarvan alle mensen spreken.

Zie je, het komt in de wereld altijd aan op macht en geweld, maar die twee brengen nooit het volmaakte geluk. Dat vind je alleen maar, als je bereid bent om anderen te dienen. Wanneer je altijd de eerste wilt zijn, zal je moeten blijven vechten. Maar als je tevreden bent met de minste plaats, ontvang je een vrede, die niemand je kan ontnemen.

Ik geloof niet in een Messias die met macht en geweld komt, maar veel eerder in Hem, die ons de vrede in ons hart zal geven zonder geweld. En dat is oneindig veel meer waard dan een koning op de troon van David, die regeert met het zwaard en al onze vijanden verjaagt.’

Niemand antwoordde toen de oude herder gesproken had. Misschien waren sommigen teleurgesteld door zijn woorden. Maar uit eerbied voor het geloof van de oude Jozua, spraken zij niet. Ieder zat vervuld van zijn eigen gedachten bij het flikkerend schijnsel van het kleine wachtvuur.

En toen… ineens was daar een stralend licht, helderder nog dan het licht van de zon. En uit het licht trad een blinkende gestalte naar voren, die zijn armen over hen ophief. Zij bedekten hun gezicht met hun mantel, omdat zij vreesden voor de man in het blinkende kleed.

Maar klaar en duidelijk klonk zijn stem: ‘Wees niet bang…’ En het werd rustig in hun bange harten. ‘Want,’ ging de stem verder, ‘ik breng u het mooiste nieuws dat u ooit hebt gehoord. Het is groot nieuws voor het hele volk. Vandaag is in Bethlehem de Redder geboren: Christus, de Here. Ik zal u vertellen hoe u Hem kunt herkennen: het Kind ligt in doeken gewikkeld in een voerbak.’

Zij sloegen voorzichtig de ogen op om te zien wat er gebeurde. Hun ogen werden groot van verbazing, want zij zagen hoe de gestalte terugtrad, maar niet in het duister, want een nieuw licht werd ergens in de hoge luchten geboren en het vervulde de hele hemel.

Toen klonk daar een wondere melodie, die aanzwol tot een machtig koor van miljoenen stemmen, die zongen ter ere van het nieuwgeboren kind: ‘Ere zij God in de hoge. Vrede op aarde bij de mensen die naar Zijn wil leven.’ Het licht verminderde tot een zachte glans, die wegstierf in de verre oneindigheid. Zij vonden zichzelf en de anderen terug bij het kleine vuur, dat opnieuw rood gloeide in de duistere nacht vol sterren.


Ineens stond de jongen op en zei, terwijl hij in de richting van de slapende stad wees: ‘Laten wij naar de stal gaan. Het is alles waar wat wij hoorden. Vanmiddag gingen een doodmoede man en vrouw door de poort om nachtverblijf te zoeken. Maar er was voor hen nergens plaats. Toen heb ik ze de stal gewezen.’

Onder zijn woorden waren ook de anderen opgestaan en drongen dicht om hem heen, opdat zij geen woorden zouden missen. De oude Jozua stond vlak tegenover hem en zijn gezicht straalde van vreugde. Bijna plechtig klonken zijn woorden: ‘Deze nacht is heilig, want de belofte, eeuwen geleden gedaan, is vervuld. Het Kind is geboren om vreugde te brengen aan alle mensen, die in Gods grote liefde geloven en willen leven zoals Hij het van ons vraagt. De Verlosser is gekomen en Zijn rijk zal over de gehele wereld zijn.’

Hij keerde zich plotseling om en liep snel in de richting van de stad. Achter hem kwamen de anderen en verbaasden zich erover dat de oude herder nog zo snel voor hen uit kon gaan. Hij keek niet op van het pad, maar hij ging snel recht op zijn doel af. De jongen liep achteraan. In zijn hart was een vreemd gevoel; hij wist niet of hij blij of bedroefd moest zijn, maar hij kon niet achterblijven. Er was een wonderlijke drang in hem om mee te gaan naar de plaats waar het Kind geboren was.

Eenmaal keek hij om en zag het schijnsel van het uitgaande vuur, dat zij zojuist verlaten hadden. Hoewel hij gemakkelijk de anderen kon bijhouden, omdat hij gewend was te rennen over de wijde vlakte rond de stad, raakte hij steeds meer achter, hoe dichter zij bij het doel van hun tocht kwamen.

Toen hij de stal als een duistere schim in de nacht voor zich zag rijzen, bleef hij een ogenblik staan en zag hoe de oude herder op de deur tikte met zijn staf. Even later ging de deur open en een flauw schijnsel van het oude lampje aan de muur kwam aarzelend naar buiten.

Hij zag hoe de herders zich een voor een bukten en naar binnen gingen door de lage opening. Hij twijfelde nog, maar op het laatste ogenblik liep hij snel vooruit en ging naar binnen, waarna hij de deur voorzichtig dichtdeed, om de nachtelijke kou buiten te sluiten.

In het beschermende duister vlak bij de deur bleef hij staan. De anderen waren wat verder naar voren gelopen en hij zag hoe ze neerknielden bij de voerbak. Daarin lag zeker het Kind. Hij herinnerde zich de woorden: het Kind ligt in doeken gewikkeld in een voerbak.’

Hij staarde naar de moeder, die met een glimlach in de voerbak keek, en dan ving zijn oor alleen maar de klanken van de woorden op die de anderen spraken. Zij stonden weer op en liepen langzaam naar de deur, die krakend openging.

Zij merkten niet dat hij daar nog steeds stond. Maar toen de man de deur achter hen sloot, zag hij de knaap daar staan in het schijnsel van de kleine lamp. ‘Kom maar mee’, zei hij en nam de jongen bij de hand. Bedeesd kwam hij dichter bij de kribbe, nu met gebogen hoofd.

‘Wil je het Kind niet zien?’ vroeg de vrouw vriendelijk. De jongen hief zijn gezicht op en keek haar aan. Hij zag dat ze hem herkende, toen zij zijn hand nam en hem naar zich toetrok. ‘Ik dank je voor wat je voor ons gedaan hebt. En kijk nu eens naar het Kind.’ Haar stem klonk als zachte muziek.

Nog aarzelde de jongen. ‘Het is Gods Kind,’ zei hij fluisterend. ‘De engelen hebben het verteld en de oude Jozua… Maar ik hoor eigenlijk niet bij de herders. Ik heb geen thuis en niemand heeft iets met mij op. Ik zwerf maar zo’n beetje rond. Misschien heb ik het er ook wel naar gemaakt.’ ‘Dit Kind heeft iedereen lief, die eenzaam en verlaten is en eigenlijk geen raad meer weet. Voor hen kwam Hij op aarde’, zei de vrouw zacht en dringend.

Toen liet de jongen haar hand los en knielde neer bij de kribbe, waarin het Kind lag. Het sloeg de ogen op en keek naar de knaap, die daar eerbiedig neergeknield lag. En terwijl het Kind hem aankeek, vergat de jongen alles om zich heen.

Hij zag niet meer het flikkerende licht van het lampje en de duistere schaduwen in de lage stal, want zijn ogen schouwden in een wondere wereld, waarin Gods eeuwige licht straalt. Op dit ogenblik wist hij klaar en duidelijk dat Zijn liefde oneindig groter is dan de duisternis van de wereld, die door de komst van dit Kind volkomen overwonnen was…

Even later stond hij buiten in de duistere, koude nacht, maar zijn hart was licht van blijdschap.

Tags: