NL-online-gladys-aylward

De vrouw met het boek

Gladys Aylward (1902-1970) had al op jonge leeftijd een groot verlangen om zendelinge in China te worden. Ondanks de obstakels op haar weg, liet ze haar roeping niet los. Ze spaarde elke cent die ze kon verdienen en vertrok naar China, waar ze meer dan twintig jaar als zendelinge actief zou zijn.

 

Roeping voor China
Gladys May Aylward werd in 1902 als oudste van drie kinderen geboren in Edmonton, Noord-Londen. Al op jonge leeftijd wist ze dat God haar riep om naar China te gaan. Dat leek door onvoldoende scholing en een gebrek aan financiën een onmogelijke zaak.

Maar God verhoorde haar gebeden en beloonde haar vasthoudendheid. Ze spaarde elke cent van het karige salaris dat ze als huishoudster verdiende. Ook verkocht ze veel van haar spullen en deed extra werk. Ineens hoorde ze dat er een plaats vrijkwam, omdat de 73-jarige zendelinge ­Jeannie Lawson haar zendingswerk in China wilde overdragen aan een jonger persoon.

Het begin van haar bediening
In oktober 1930 brak de dag aan dat Gladys uit Londen vertrok, om met de trein via Nederland, Duitsland, Polen, Rusland en Siberië naar China te reizen. Na een lange en avontuurlijke reis vol moeilijkheden, kwam ze op de zendingspost in Yangcheng aan, een dorpje in Noord-China. De oude maar vitale Lawson kwam op het idee om een herberg te beginnen. Daar zouden de doortrekkende handelaars kunnen eten en overnachten. Gladys en zij zouden dan de gelegenheid hebben het evangelie te delen.

Zo kreeg het zendingshuis het uithangbord ‘De herberg van het zesde geluk’, een fraaie Chinese titel. De klanten kregen ze door simpelweg hun muilezels naar de herberg te leiden. De rest volgde vanzelf. Omdat Gladys veel tijd nodig had om de Chinese taal te leren, vooral het plaatselijk dialect, had ze een goede collega in Chang, de kok.

In haar eerste jaar overleed Jeannie Lawson. Op advies van Chang wilde ze de mandarijn van Yangcheng ontmoeten, maar hij kwam tot haar verbazing zelf op bezoek. Hij kwam haar om raad vragen over de behandeling van de voeten van de vrouwen. Het oeroude voetenbinden was afgeschaft. Nu vroeg hij of Gladys de leiding wilde nemen over de inspectie of dit bevel goed werd nageleefd.


Dat betekende muilezeltochten naar afgelegen plaatsen, waar zo nodig de voeten van kinderen losgewonden en gemasseerd moesten worden. De mensen kregen de opdracht om zich verzamelen, waar hun de proclamatie werd voorgelezen en uitgelegd. Dat gaf een hele bedrijvigheid, waarbij Gladys veel gezinnen bezocht en een unieke kans kreeg om te evangeliseren.

In de herberg waar ze logeerde, was het ’s avonds een drukte van belang door de vele mensen die naar haar verhalen over Jezus kwamen luisteren. Langzaam groeide zo rond Yangcheng een Chinese christengemeenschap.

Weeskinderen en vondelingen
In haar tweede jaar kreeg ze Lu Yung Cheng als helper in haar werk. Hulp kon ze nu wel goed gebruiken. Bovendien haalde Chang, de kok, in zijn vertellingen de personen en gebeurtenissen wel eens door elkaar, terwijl Lu een goede opleiding had genoten.

Toen deze eens met Gladys over het werk zat te praten, kwam er plotseling een boodschapper van de directeur van de gevangenis. Gladys moest direct mee, omdat daar een opstand was uitgebroken. ‘Gelukkig dat u er bent’, riep de directeur. ‘De gevangenen maken elkaar af en soldaten heb ik niet. U moet naar binnen om er een eind aan te maken!’ Toen ze eerst niet wilde, antwoordde hij: ‘Hoe kunnen ze u nu doodmaken? U draagt toch de levende God in u? Daarom bent u toch hier gekomen? Wanneer uw God u voor onheil bewaart, kunt u ook deze opstand dempen!’

De geluiden die ze hoorde, werden steeds schrikwekkender. Terwijl ze om hulp bad, werd ze rustig. De directeur liet de deuren openen. Door een lange tunnel kwam ze op een vierkant plein, waar het wel een bloedig slagveld leek. Een gevangene zwaaide als een bezetene met een reusachtig bebloed hakmes.

Toen hij haar naderde, schreeuwde ze ineens: ‘Geef hier dat mes! Onmiddellijk!’ Na haar enkele seconden aangekeken te hebben, gaf hij het mes over. Daardoor werd het meteen stil. Op haar commando gingen de gevangenen in rijen voor haar staan. Toen sprak zij hen toe, waarop ze het plein gingen schoonmaken en de lijken opbergen.

De directeur was haar heel dankbaar. Gladys wees hem op de minderwaardige levensomstandigheden. Zo kreeg ze de bijnaam ‘Ai-Weh-Toh’, dit betekent ‘de deugdzame’. Door verbeteringen aan te brengen, zoals het maken van weeftouwen en graanmolens, konden de gevangenen iets verdienen en hun tijd beter besteden. Ook mochten ze naar de kerk gaan, zij het dan zwaar geketend. Verder werd met Gladys samen een schooltje opgericht voor weeskinderen en vondelingen.

Oorlogsgeruchten
In 1936 werd ze Chinees onderdaan, omdat ze zich sterk met het volk verbonden voelde. ‘De vrouw met het Boek’, zoals ze ook wel werd genoemd, sloot vriendschap met iedereen die haar lange tijd als een ‘vreemde duivelin’ had gezien.

In 1938 bleken de oorlogsgeruchten waar te zijn. Japanse vliegtuigen bombardeerden het dorp, waardoor velen gedood werden of gewond raakten. Gelukkig bleven de herbergbewoners ongedeerd en konden meteen hulp verlenen. Maar evacuatie bleek wel nodig, omdat het niet bij deze aanval zou blijven. Zo vertrok Gladys met haar kleine christengemeenschap naar Bei Chai Chuang, een ommuurd plaatsje in de bergen. Daar werd een eenvoudig ziekenhuisje ingericht.

Toen de lente van 1939 aanbrak, leek het weer rustig te worden. Het verwoeste en leeggeplunderde Yangcheng begon zich opnieuw op te bouwen. Maar een nieuwe Japanse oorlogsdreiging was nabij.

Vlucht naar de stad Sian
In die tijd was de mandarijn van Yangcheng tot geloof gekomen. In het bijzijn van de hooggeplaatsten van de stad verklaarde hij dat hij voortaan de God van de christenen wilde liefhebben en dienen. Later moest ze in een ander dorpje tijdelijk de zendingspost waarnemen. Ook daar ontstond een klein ziekenhuis. Het nieuws dat ‘het kleine vrouwtje’ met haar wonderbare God in het dorpje verbleef, veroorzaakte een stroom van hulpzoekenden.

Later werkte ze in de stad Tsechow. In het voorjaar van 1940 werd deze stad aangevallen door de vijand. Gladys wilde haar post daar niet verlaten, omdat er zo veel op haar schouders rustte. Zoals het verzorgen van gewonden en van de vele kinderen die in het zendingsstation gebracht waren.

Ze gaf informatie door aan het nationalistische leger onder leiding van Chiang Kai Shek. Zijn vrouw had een fonds voor oorlogswezen opgericht. De helft van de ongeveer tweehonderd kinderen werd naar de stad Sian vervoerd. De legerleiding raadde haar dringend aan de stad Tsechow te verlaten. Bij haar ontsnapping liep ze een schampschot op, maar ze bereikte veilig ‘de herberg van het zesde geluk’. Het gebouw was niet veel meer dan een ruïne, met een wirwar van gevluchte kinderen.

De Japanners zouden met Gladys en de kinderen geen medelijden hebben, omdat ze haar ervan verdachten in de ondergrondse te werken. Gladys besloot de volgende morgen vroeg met de overige honderd kinderen naar Sian te gaan. De twee koelies van de mandarijn trokken mee, voorzien van mandjes rijst. Ieder had zijn beddengoed op de rug gebonden en verder het traditionele kommetje en de eetstokjes.

Het was een zware reis vol moeilijkheden. Op zeker moment raakte de voorraad water en eten op. Er waren alleen maar wilde en kale bergen voor hen.

Op de zevende dag ontmoetten ze een afdeling nationalistische soldaten, die hen van het nodige voorzagen. Maar elke volgende dag had iets weg van een nachtmerrie, met toenemende klachten over honger, dorst, pijn en afmatting. Eindelijk bereikten ze na een lange, eentonige reis de stad Sian, waar ze voorlopig onderdak vonden. Later werden ze met de trein naar Fufeng gebracht. In dit toevluchtsoord mochten deze oorlogswezen onder Gods zegen een nieuw leven beginnen.

Terugkeer naar Engeland
Na een ernstige ziekte ging Gladys weer aan het werk. Het duurde lang voordat ze helemaal hersteld was. Ze liep weer van de ene zendingspost naar de andere. Op een van haar reizen kreeg ze bericht dat ze naar Engeland mocht terugkeren. Ook daar was haar getuigenis nodig.

Inmiddels was het 1947 en het zou nog drie jaar duren voor zij de reis kon aanvaarden. In die tussentijd maakte zij de overname van de macht mee door de communisten, die niet aarzelden om honderden belijdende christenen te doden.

Snel na haar aankomst, trok ze Engeland door om lezingen te houden en diensten en bidstonden te houden. Als Chinese vrouw moest ze zich telkens bij de vreemdelingenpolitie melden, waar ze steeds dezelfde Chinese mannen en vrouwen ontmoette. Dat zorgde voor vriendschappen en bijeenkomsten.

Bediening in Taiwan
Toch bleef China haar trekken. In 1957 ging Gladys naar het toentertijd door de nationalisten bestuurde eiland Formosa, nu Taiwan. Daar ontmoette ze tot haar blijdschap enkelen van haar vroegere kinderen, die zelf ook blij waren om hun ‘Ai-Weh-Toh’ weer te zien. Gladys kon op Taiwan hetzelfde zendingswerk doen als eerder in Noord-China. Ze bezocht de dorpen rondom de stad Taipei en trok later de bergen in. Ze hield diensten in het Chinees en Engels op de Amerikaanse basis bij Taipei.

Toen ze op een avond thuiskwam, merkte ze tot haar schrik dat de voordeur open stond. Binnen kwam ze tot de ontdekking dat er een baby te vondeling was gelegd. Dat jongetje ging ze verzorgen. Daarmee begon ze haar tehuis voor weeskinderen, dat later de naam ‘The Gladys Aylward Children’s Home’ kreeg.

Haar roeping en haar werk hadden zo veel bekendheid gekregen, dat er al enkele boeken over haar waren verschenen. In 1958 werd een prachtige speelfilm over haar leven gemaakt, met als titel: ‘The Inn of the Sixth Happiness’ (De Herberg van het Zesde Geluk).

In 1963 werd Gladys uitgenodigd voor een bijeenkomst in Londen van oude zendingsvrienden. Daar mocht ze aanwezig zijn bij een lunch met de Britse koningin Elizabeth en prins Philip. Toen ze terugkeerde naar Taiwan, kreeg ze de hulp van een Engelse dame, die de administratie verzorgde. Met haar hulp beleefde Gladys een tijd van vrede en zegen.

Het einde van haar bediening
Tegen het einde van 1969 werd Gladys ziek. Het bleek longontsteking te zijn, maar de medische hulp kwam te laat. In 1970 overleed ze op 67-jarige leeftijd. Gladys mocht haar leven lang Jezus dienen.

Haar grote kracht, vastberadenheid en dapperheid had zij niet te danken aan haar eigen kracht. Haar geheim lag in haar geloof. Daarin was ‘de kleine vrouw’ groot.

Tags: