Een-ding-weet-ik

Eén ding weet ik! DEEL 2

In het eerste deel van deze boodschap heb ik de toestand van de blindgeboren man beschreven. Maar dat was niet het enige wat er in Johannes 9 beschreven staat. In dit tweede deel gaan we dieper in op de omstandigheden waarin zijn wonder plaatsvond. Er is nog zoveel dat we uit dit hoofdstuk kunnen leren.

In Johannes 9 lezen we dat de toestand van de blindgeboren man vragen opriep bij de discipelen. Ze vroegen aan Jezus:

‘Meester, heeft deze man zelf gezondigd of is hij blindgeboren doordat zijn ouders gezondigd hebben?’ – Johannes 9:2

De discipelen vroegen zich af of het een generatievloek was, maar dat was niet zo. Deze man was niet blindgeboren door een specifieke zonde van hem of zijn ouders. Nee, het feit dat hij blindgeboren was, was een gevolg van de zondeval. Daarom zei Jezus:

‘Hij heeft niet gezondigd en zijn ouders ook niet, maar dit is gebeurd, opdat de werken van God in hem geopenbaard zouden worden.’ – Johannes 9:3

Misschien vraag je je af wat Jezus bedoelt met de woorden: ‘opdat de werken van God in hem geopenbaard zouden worden’.  Het antwoord op deze vraag vind je in de verzen uit Jesaja, die Jezus voorlas aan het begin van Zijn aardse bediening.

‘De Geest van de Here rust op Mij, omdat Hij Mij heeft gezalfd tot brenger van goed nieuws aan arme mensen. Hij heeft Mij gestuurd om uit te roepen dat gevangenen zullen worden vrijgelaten, dat blinden zullen zien, dat onderdrukten zullen worden bevrijd en dat de tijd van Gods genade is aangebroken.’ – Lucas 4:18-19

Dit was Jezus’ doel hier op aarde; dit was waarom Hij deed wat Hij deed. Jezus was gekomen om het goede nieuws van Gods redding te verkondigen, troost te bieden aan hen die in de put zaten, te verlossen degenen die vastzaten door de macht van de zonde en te genezen ieder die ziek was.

Jezus knielde neer, spuugde op de grond en maakte modder met Zijn speeksel. Hij nam de modder en plaatste deze op de ogen van de blindgeboren man. Maar het wonder gebeurde niet meteen. Jezus zei eerst tegen hem:

‘Ga je wassen in de vijver van Siloam. De man ging erheen en waste zich. Toen hij terugkwam, kon hij zien.’ – Johannes 9:7

De blindgeboren man was bereid om te doen wat Jezus van hem vroeg. Hij liet zich leiden naar Siloam en waste in gehoorzaamheid de modder van zijn ogen. Terwijl hij dat deed, verdween de duisternis van zijn ogen en zag hij het licht.

Op het moment dat hij zich waste, werd hij genezen en ontving hij zijn wonder. Wat was dat een geweldig moment. De mensen om hem heen herkenden hem als de blindgeboren man. Maar nu kon hij zien en hij vertelde iedereen wat Jezus voor hem had gedaan.

Maar dit was niet het einde van het verhaal. Want het wonder gebeurde op de sabbat, Gods heilige dag. Toen de genezen man bij de Farizeeërs werd gebracht, begonnen ze hem te ondervragen hoe zijn wonder was gebeurd.

Ze vroegen het hem niet om te kunnen delen in zijn blijdschap en om God de eer te geven. Nee, ze wilden bewijs hebben om Jezus te kunnen veroordelen. Dus ondervroegen zij de blindgeboren man en zijn ouders. Ze begonnen eerst met de blindgeboren man. Hij vertelde hun hoe het wonder was gebeurd. Maar zij wilden hem niet geloven. Daarom vroegen zij daarna aan zijn ouders of hij echt blindgeboren was.

Maar zijn ouders durfden niet te zeggen hoe hij genezen was, uit angst om verbannen te worden uit de synagoge. Dus riepen de Farizeeërs de man er weer bij, om hem nog één keer te ondervragen. Zij zeiden tegen hem:

‘‘Geef alle eer aan God. Wij weten dat die Jezus een zondaar is.’ De man antwoordde: ‘Of Hij een zondaar is, weet ik niet. Ik weet maar één ding: ik was blind en kan nu zien.’’
– Johannes 9:24-25

Het is zo mooi hoe deze man reageerde op de vraag van de Farizeeërs. Hij draaide de rollen om. Hij zei: ‘Jullie mogen zeggen wat jullie willen, maar ik weet één ding: ik was blind, maar nu kan ik zien.’ Hier zegt hij eigenlijk: misschien hebben jullie een argument, maar ik heb een ervaring met Jezus gehad.

Door deze ervaring was zijn hele leven veranderd. Wat mensen ook zeiden of deden; niemand kon iets veranderen aan zijn ervaring met Jezus. Hij werd uit de synagoge gegooid en waarschijnlijk ook verbannen uit de synagoge.

Maar gelukkig is ook dit niet het einde van zijn verhaal, want Jezus zocht hem op en vond hem. Jezus stelde hem de vraag: ‘Geloof je in de Zoon van God?’ En het antwoord van de blindgeboren was van onschatbare waarde, want hij antwoordde: ‘Ik geloof.’

Op het moment dat hij die woorden uitsprak, ontving hij – naast zijn lichamelijke genezing – ook zijn geestelijke genezing. Jezus vergaf hem al zijn zonden. Elk wonder dat Jezus deed, voorzag niet alleen in de lichamelijke nood, maar ook in de geestelijke nood. Deze man was blind, maar nu kon hij zien en was hij gered.

Jezus wil ook jou ontmoeten en een wonder in jouw leven doen. Jezus is gekomen om redding te brengen en ieder te genezen die ziek is. Jezus wil jou vandaag ontmoeten en een wonder in jouw leven doen.

Het maakt niet uit hoe lang je zonder God hebt geleefd. Deze man was zijn leven lang blind geweest. Toch was het geen punt voor Jezus om hem in één keer te genezen en hem te vergeven van al zijn zonden.

Op dit moment gaat God aan jou voorbij, waar jij ook bent. En Hij staat klaar om jouw leven te veranderen. God houdt van jou. Het maakt voor Hem niet uit hoe jouw verleden was of wat jij ook hebt gedaan. Hij kan jou vergeven en jou een heel nieuw leven geven.

God heeft een geweldige toekomst voor jou, als je Hem toestaat om jou te helpen. Bid dit gebed met mij mee en geloof de woorden die je uitspreekt.

Gebed
Bid met mij mee

‘Vader in de hemel, ik kom tot U in de naam van Jezus. Ik heb spijt van mijn zonden, hoe ik heb geleefd, en de dingen die ik heb gedaan. Vergeef mij alles wat ik verkeerd heb gedaan. Met mijn mond zeg ik dat Jezus mijn Heer is. In mijn hart geloof ik dat God Jezus heeft opgewekt uit de dood en dat Hij leeft vandaag. Ik geloof dat ik op dit moment vergeven ben. Ik ben gered!
In Jezus’ naam bid ik dit. Amen!’

Tags: