Getuigen-van-Jezus

Getuigen van Jezus: David Livingstone DEEL 1

Veel mannen en vrouwen werden op een buitengewone manier door God gebruikt. Niet al deze mannen en vrouwen zijn heel bekend. Maar ook door hen heeft God een groot werk gedaan. In deze serie gaan we dieper in op hun leven en bediening. Deze keer bekijken we het leven van David Livingstone, de zendeling die Afrika in kaart bracht voor het evangelie.

David Livingstone werd op 19 maart 1813 in Schotland geboren. Zijn vader Neil zat in de handel en zette zich daarnaast in voor het geloof. Zijn moeder Agnes had de zorg voor zeven kinderen. Al van jongs af aan had David geen moeite om zich aan te passen aan verschillende omstandigheden. Maar tegelijkertijd was hij vastbesloten en standvastig als dat nodig was.

Als tienjarig jongetje werkte hij in de fabriek om te helpen met de kosten van het huishouden. Later werkte hij in de molen als spinner. Van zijn zakgeld kocht hij studieboeken en bezocht hij een avondschool. Het geloof interesseerde hem op dat moment nog niet. Hij was liever buiten in de natuur.

Toen hij negentien jaar was, kreeg hij beter betaald werk, waardoor hij een wintercursus kon volgen. Tijdens die cursus aan de Universiteit van Glasgow volgde hij Griekse medische en theologische lessen. David begon zich steeds meer te verdiepen in het geloof. Dit leidde ertoe dat hij als medisch zendeling naar China wilde gaan. Dit verlangen werd sterker toen hij zich overgaf aan God en Zijn leiding.

David koos ervoor om zijn leven toe te wijden aan de zending. Na het behalen van zijn doktersdiploma, wilde David naar China als zendeling. Maar door de heersende opiumoorlog tussen China en Engeland was dat niet meer mogelijk. Daarom ging hij als zendeling naar Afrika, waar ook zendeling Robert Moffat al jaren voor het Londense Zendingsgenootschap werkte.

Op 18 december 1840 vertrok David naar Kaapstad, waar hij werd aangesteld als predikant. Na enkele maanden in Kaapstad, vertrok David naar Kuruman, Botswana, waar zendeling Moffat woonde. Hij stichtte een nieuwe zendingspost ten noorden van zendeling Moffat.

David ging dagelijks om met de inwoners van dat gebied en leerde op deze manier hun taal en gewoontes. Door zijn spontaniteit en groot doorzettingsvermogen begonnen de inwoners hem meer te vertrouwen en kon hij een goede invloed uitoefenen.

Binnen een jaar leerde David de cultuur en hun omgangsvormen kennen. David was niet bang voor de inwoners en ging gewoon en vriendelijk met hen om. Na verloop van tijd bouwde hij een kerkje in Kuruman. Hij preekte daar, behandelde zieken, vertaalde liederen in de volkstaal, drukte die zelf op papier, en leerde zelfs op een os rijden.

Pas in juni 1843 ontving hij richtlijnen uit Londen voor het vestigen van een zendingspost. Inmiddels had David Mary, de oudste dochter van de familie Moffat, beter leren kennen en trouwde in 1845 met haar. De Mabotswa zendingspost werd hun woon- en werkplaats, waar Mary ook een schooltje oprichtte.

In de buurt van Mabotswa was ook een andere zendeling werkzaam. David en de andere zendeling konden het niet eens worden over bepaalde aspecten. Waarna David Livingstone besloot om dat gebied te verlaten. In 1846 vestigde hij zich in Chonuane, maar door overlast van de boeren en de aanhoudende droogte, moesten ze hun tenten 60 kilometer verder opslaan in Kolobeng. Daar won Livingstone al snel het vertrouwen van de bevolking en leerde hun allerlei soorten handenarbeid.

Ook hier ontstond watergebrek en werden ze door de boeren tegengewerkt, waardoor ze verder naar het noorden moesten. Daar ondernam Livingstone een aantal riskante verkenningsreizen, waar hij onder andere het Ngami Meer ontdekte, de Zambezi overtrok en bijna omkwam in de Kalahari-woestijn. Na deze reizen keerden zij terug naar Kolobeng. Toen ze daar aankwamen, ontdekten zij dat Kolobeng verlaten was. Daarna vertrokken ze naar Kaapstad, waar ze in maart 1852 aankwamen.

Tijdens zijn reizen door het binnenland van Afrika had Livingstone de slavenhandel van dichtbij gezien. Daardoor zag hij het gevaar van de bloeiende slavenhandel. De inwoners van het binnenland waren heel geïnteresseerd in Europese producten en deinsden niet terug voor mensenhandel om zo de producten te kunnen betalen.

Livingstone wilde dat de slavenhandel zou stoppen en daarom bedacht hij een plan. Hij wilde betere handelsroutes verkennen, waardoor de inwoners hun eigen producten zouden kunnen verhandelen in plaats van slaven. In 1852 liet hij Mary en hun vier kinderen naar Engeland gaan, omdat de binnenlandse tochten te gevaarlijk en vol risico waren.

Twee maanden later vertrok Livingstone samen met Fleming, een binnenlandse koopman, naar het noorden. Hun plan was om Afrika in kaart te brengen voor nieuwe mogelijkheden voor het evangelie. Bijna een jaar later bereikten ze Linyanti, het noorden van Botswana. Het was een zware reis door moerassen en doornstruiken, en onderweg werden velen ziek door koortsen.

Na enige tijd het evangelie te hebben verkondigd, ging Livingstone met een groep van 160 man langs de Zambezi door het land van de Barotse, grenzend aan Zambia. Overal waar zij kwamen, heerste slavernij en moordzucht. Maar dit weerhield Livingstone niet. Hij bracht het onbekende terrein van Afrika in kaart voor toekomstige evangelisten en zendelingen.

Vanuit Sekeletoe ging hij zonder Fleming verder en reisde met ossen verder naar Luanda op de westkust, de meest gewaagde en gevaarlijke expeditie van Livingstone. Deze reis duurde van november 1853 tot mei 1854. Livingstone had het zwaar te verduren, door de koortsen werd hij doof. Ook was er bijna geen voedsel meer, de geneesmiddelen werden gestolen en muggen brachten veel ellende.

Totaal vermagerd en in versleten kleding, werden hij en de inlanders in Luanda vriendelijk verzorgd door Engelsen en Portugezen. Waarna ze na verloop van tijd weer teruggingen naar Liyanti. Deze reis had veel van hen gevraagd, maar het resultaat was weer een nieuwe handelsweg.

Al snel ging Livingstone weer op pad. Zijn bestemming was deze keer Quelimane in Mozambique. Op deze reis kreeg hij reumatische koortsen en had ook last van bloedverlies. Dit alles sloopten zijn krachten. Maar hij gaf niet op, want zijn geloof droeg hem erdoorheen. Onderweg naar Quelimane zag hij voor het eerst de reusachtige watervallen die hij de ‘Victoria Falls’ noemde naar de Engelse koningin.

Tags: