Getuigen-van-Jezus

Getuigen van Jezus: David Livingstone DEEL 2

Veel mannen en vrouwen werden op een buitengewone manier door God gebruikt. Niet al deze mannen en vrouwen zijn heel bekend. Maar ook door hen heeft God een groot werk gedaan. In deze serie gaan we dieper in op hun leven en bediening. Deze keer bekijken we het leven van David Livingstone, de zendeling die Afrika in kaart bracht voor het evangelie.

Op 12 augustus 1856 vertrok hij met een oorlogsschip naar zijn Schotland, waar hij op 9 december van dat jaar aankwam. Onderweg op de boot ontving hij bericht van zijn vaders dood. Tijdens dit verlof schreef hij het boek: ‘Zendingsreizen en onderzoekingen in Zuid-Afrika’. Dit boek kreeg veel aandacht.

Tijdens zijn verlof nam Livingstone ontslag als zendeling bij het zendingsgenootschap, om zich volledig te kunnen richten op het in kaart brengen van Afrika voor het evangelie. De regering nam Livingstone in dienst en gaf hem de opdracht Oost- en Centraal-Afrika te ontdekken en in kaart te brengen.

Van 1858 tot 1864 werden de mondingen van Zambezi onderzocht, werd het Nyassa Meer ontdekt en trok men naar het land van de Makololo. Helaas overleed Mary in 1862. Hij schreef hierover in zijn journal:

‘Dit is de eerste hevige slag, die ik heb meegemaakt en mijn kracht is van mij afgenomen. God, ontferm U over de arme kinderen, die zo’n goede relatie met haar hadden.’

In 1864 werd hij door de regering teruggeroepen, want de nieuwe expeditie werd te duur. In juli 1864 bereikte hij Londen. In die tijd overleed zijn moeder op hoge leeftijd. Tijdens dit verblijf hield Livingstone lezingen, schreef een boek over de Zambezi-expeditie en maakte plannen voor een nieuwe ontdekkingstocht.

Deze nieuwe reis werd gezamenlijk gefinancierd door de regering en het Koninkrijk Aardrijkskundig genootschap. Het doel was om de slavenhandel aan de oostkust en in het gebied ten noorden van het Portugees gebied tegen te gaan. In maart 1866 trokken ze te voet naar de Rovuma-vallei met 34 inlanders.

Onderweg troffen ze talloze dode of zwaargewonde slaven aan, die voor dood waren achtergelaten. Overal waar Livingstone kwam, wees hij de dorpshoofden en stamhoofden erop hoe schandelijk en strafbaar dat was in Gods ogen.

In het najaar van 1866 werd een gerucht verspreid dat Livingstone omgebracht was door een woeste bende. Hoewel niet iedereen dit verhaal geloofde, stuurde het Aardrijkskundig Genootschap toch een expeditie uit onder leiding van Edward D. Young. Hieruit werd duidelijk dat het gerucht verzonnen was.

Livingstone was zich niet bewust van dat gerucht en was op weg naar het Tanganyika Meer. Ook nu was er weer voedseltekort en werd de medicijnkist gestolen. Livingstone bleef door zijn onwankelbare geloof een voorbeeld voor iedereen en hij moedigde hen aan om door te zetten. In slechte toestand bezocht hij het Tanganyika Meer en ook het Moero Meer.

Na veel avonturen bereikte hij op 14 maart 1869 de plaats Ujiji. Hij bleef hier niet lang, al had hij rust nodig voor zijn slechte gezondheid, omdat Arabische slavenhandelaars hem probeerden tegen te werken.

Zijn leefregel was: het beste middel tegen koorts is beweging en verandering van plaats en lucht. Zijn doel was de bronnen van de Nijl te ontdekken. Maar door het uitzonderlijk vochtige klimaat, had hij steeds terugkerende koortsen en bloedverlies, waardoor hij enkele maanden rust moest nemen.

Eind juni 1870 ging hij met slechts drie reisgenoten verder naar de Lualaba-rivier. Omdat Livingstone nu door voetzweren gekweld werd, was een lange rust nodig. Eindelijk bereikte de expeditie Nyangwe aan de oevers van de Lualaba. Ook in deze streken was een gruwelijke slavenjacht gaande. Men besloot terug te gaan naar Ujiji.

Als een geraamte, bijna zonder kleren, koortsig en doodziek, kwam Livingstone in oktober 1871 in Ujiji aan. Er waren daar geen medicijnen of voorraden om Livingstone te verzorgen. Vier dagen lag hij daar hulpeloos. Totdat één van zijn reisgenoten riep: ‘Meester, een witte man komt landwaarts!’ Wankelend stond hij op om deze man te begroeten.

De Amerikaanse vlag werd voor de groep uit gedragen. De witte man vroeg: ‘Dr. Livingstone, veronderstel ik?’ Deze man was Henry Moreland Stanley. Hij was door de eigenaar van de ‘New York Herald’, gestuurd om Livingstone te zoeken. Hij had eten en medicijnen bij zich, en dat was wat de groep en vooral ook Livingstone zo hard nodig had.

Stanley bleef vier maanden bij Livingstone en gaf zijn leven aan Jezus. Voordat Stanley vertrok, zorgde hij voor een aantal goede dragers uit Zanzibar. Daardoor was Livingstone in staat om opnieuw op zoek te gaan naar de bronnen van de Nijl en nieuwe zendingsplaatsen.

Op 25 augustus 1872 vertrok hij met zijn dragers. Aan het Tanganyika Meer was de hitte drukkend en door de aanhoudende tropische regenbuien stroomden de rivieren buiten hun oevers. Ondanks al deze tegenslagen gingen ze verder, ploeterend door het water, zonder voedsel en ’s nachts zonder vuur.

Op de zondagen hield Livingstone diensten en hielp en bemoedigde hij zijn reisgenoten door het gebed. Op een gegeven moment was Livingstone zo verzwakt dat hij niet meer kon lopen, waardoor hij gedwongen was om liggend op een draagbaar verder te reizen. Ze droegen hem tot ze het dorp Ilala bereikten.

Op 4 mei 1873 vond een medewerker Livingstone geknield bij het bed, met zijn hoofd in zijn handen op het kussen. In deze houding was hij heengegaan. Trouwe dienaren brachten zijn lichaam naar de oostkust. Dit was geen makkelijke reis en duurde daarom ook negen maanden.

David Livingstone werd op 18 april 1874 bijgezet in de Westminsister Abbey in Londen. Stanley en Dr. Moffat waren bij de begrafenis aanwezig. Op het zwarte marmer van zijn laatste rustplaats staan deze woorden uit het dagboek van Livingstone:

‘Alles wat ik kan toevoegen in mijn eenzaamheid, is dat de rijke zegen van de hemel neer mag komen op iedereen, Amerikaan, Engels of Turk, die zal helpen om deze open wond (de slavernij) van de wereld te genezen.’

En ook de Bijbeltekst:

‘Ik heb nog meer schapen, die niet bij deze stal horen. Ik moet zorgen dat die er ook bijkomen. Zij zullen Mijn stem horen en dan zal het één kudde zijn met één herder.’ – Johannes 10:16

Die stem van onze Heer en Redder klinkt ook vandaag en verlangt naar de redding van velen!

Tags:
Vorig artikel

Misvattingen

Volgend artikel

Het geheim van geluk! DEEL 1