Getuigen-van-Jezus

Getuigen van Jezus: Fanny Crosby DEEL 1

Veel mannen en vrouwen werden op een buitengewone manier door God gebruikt. Niet al deze mannen en vrouwen zijn heel bekend. Maar ook door hen heeft God een groot werk gedaan. In deze serie gaan we dieper in op hun leven en bediening. Deze keer bekijken we het leven van Fanny Crosby.

Fanny Crosby werd op 24 maart 1820 geboren in de stad Southeast Putnam County in de staat New York (USA). Toen Fanny nog maar 6 weken oud was, kreeg ze een oogziekte. De dokters behandelden haar, maar ze kozen de verkeerde medische behandeling. Daardoor verloor ze bijna al haar zicht.

6 maanden na Fanny’s geboorte overleed haar vader. Ze werd opgevoed door haar moeder, die na het overlijden van haar man hertrouwd was. Fanny werd christelijk opgevoed door haar moeder. Ook haar grootmoeder had een grote invloed op haar. Haar grootmoeder was een buitengewoon gelovige vrouw. Ze leerde Fanny al vroeg om te geloven dat haar hemelse Vader haar altijd zou geven wat het beste voor haar was. Haar moeder en grootmoeder stimuleerden haar om Bijbelpassages uit het hoofd te leren. Dit zorgde ervoor dat Fanny op 15-jarige leeftijd de 4 evangeliën, de eerste 5 Bijbelboeken, Spreuken, Hooglied en een aantal Psalmen uit haar hoofd kende.

Al op jonge leeftijd besloot Fanny zich geen zorgen te maken en altijd hoopvol naar de volgende dag uit te zien. Al kon ze bijna niets zien, ze schoot niets tekort en genoot van elke dag. Ze speelde met andere kinderen, klom in bomen, reed paard, klauterde over muren. Kortom, ze was als elk kind.

Toen ze 5 jaar was, nam haar moeder haar mee naar New York City om haar te laten onderzoeken door een bekende oogarts. Maar die kon alleen vaststellen dat er niets meer aan te doen was. Na het doktersbezoek maakte ze samen met haar moeder een boottochtje op de Hudson. Varend in de boot kon ze heel flauw levendige kleuren onderscheiden, waardoor ze kon genieten van de zonsondergang. Op de rivier luisterde ze naar de muziek van de golven, wat haar een vredig gevoel gaf.

Na dat bezoek ging het leven gewoon verder. Toen ze 8 jaar was, verhuisden ze naar Ridgefield in de staat Connecticut. Ze maakte zich zorgen over het feit dat ze niet naar school ging, al had ze wel leren lezen en schrijven. Dus begon ze gedichtjes te schrijven over wat haar bewoog en wat in haar leefde.

In een van haar gedichten schreef ze:

Ze leefde naar deze woorden. Toen Fanny 14 jaar was, verlieten ze Ridgefield om weer in Westchester County te gaan wonen. Daar kreeg ze thuis zangles en af en toe ging ze met kinderen uit de buurt naar school. Op een novembermiddag in 1834 wachtte haar moeder haar op bij school en vertelde haar dat ze naar het blindeninstituut in New York zou gaan. Dat was de gelukkigste dag van haar leven. Nu zou ze net als andere kinderen kunnen leren!

In maart 1835 maakte ze opnieuw de reis naar New York City. Deze reis was plezieriger en nuttiger dan de vorige reis. Fanny leefde in het instituut en was er gelukkig. Iedereen was vriendelijk voor haar. Toch miste ze haar vrienden en vooral haar moeder. De directrice, een moederlijke Quakervrouw, ontfermde zich over Fanny. Tussen de lessen door nam ze de tijd om gedichtjes te schrijven. Als er iets bijzonders was gebeurd, dan gleden de zinnen als vanzelf over het papier.

Omdat het onderwijs aan blinden in die tijd iets nieuws was, kwamen er veel nieuwsgierige bezoekers, die door Fanny rondgeleid werden. Dan werden haar soms rare vragen gesteld, zoals: ‘Hoe eten de kinderen hier? Hoe vinden ze de weg naar hun mond?’ Daarop antwoordde Fanny dan: ‘Als dat alles is: geeft u me maar een stuk cake; dan zal ik laten zien hoe!’

Inmiddels waren haar gedichten verzameld en onder de titel: ‘Het blinde meisje en andere gedichten’ in boekvorm verschenen. In de zomer van 1842 maakte Fanny met 20 andere leerlingen een tocht naar de Niagarawaterval. De grootse omgeving wekte eerbied in haar op voor de Schepper. Opnieuw zag ze iets van de kleuren in het licht van de ondergaande zon.

Het jaar daarop merkten haar onderwijzers dat de gezondheid van Fanny te wensen overliet. Ze wisten niet dat ze meestal pas laat naar bed ging, omdat ze in de nacht gedichten schreef. De dokter zei dat ze tot rust moest komen. Dit zorgde ervoor dat Fanny in 1844 naar huis ging om aan te sterken. Eenmaal thuis knapte ze door veel liefde, rust en goed eten weer helemaal op, waarna ze weer terugging naar het instituut.

In 1850 werden in de herfst opwekkingsbijeenkomsten gehouden in een methodistenkerk. Ze was daar al enkele keren geweest zonder de vrede en vreugde te vinden die ze zocht. Maar op een andere avond op 20 november wist ze dat haar moment gekomen was. Ze stond op en liep naar voren.

Na een gezamenlijk gebed zongen ze samen een lied van toewijding. Terwijl ze de woorden zong: ‘Heer, ik geef mijzelf volkomen’, was het alsof ze zich baadde in een hemels licht. Ze sprong op en riep ‘Halleluja!’ Toen besefte ze voor het eerst dat ze al die tijd de wereld in de ene hand en de Heer in de andere hand had proberen te houden.

Langzaam groeide Fanny in geloof en genade. Enkele weken later werd haar gevraagd een samenkomst met een kort gebed af te sluiten. Haar eerste gedachte was: ik kan dat niet. Maar haar geweten sprak: ‘Denk aan je belofte.’ Vanaf dat moment weigerde ze nooit in het openbaar te bidden of te spreken. Hierdoor werd ze rijk gezegend.

Lees ook: ‘Getuigen van Jezus: Fanny Crosby DEEL 2’

Tags: