Getuigen-van-Jezus

Getuigen van Jezus: Graaf von Zinzendorf DEEL 1

Veel mannen en vrouwen werden op een buitengewone manier door God gebruikt. Niet iedereen van deze mannen en vrouwen zijn heel bekend. Maar ook door hen heeft God een groot werk gedaan. In deze serie gaan we dieper in op hun leven en bediening. Deze keer bekijken we het leven van Graaf von Zinzendorf.

Nicolaus Ludwig, Graaf von Zinzendorf, werd geboren op 26 mei 1700 in Dresden. Zijn vader was de minister van Saksen en overleed toen Nikolaus nog maar 6 weken oud was. In 1704 hertrouwde zijn moeder en moest Nikolaus bij zijn oma wonen, waar hij van jongs af aan werd opgevoed met de Bijbel.

Al vroeg ontwikkelde hij zijn typische eigenschappen. Aan de ene kant was hij intelligent en praktisch met een sterke wil, en aan de andere kant was hij was hij teder en liefdevol. Maar wat hem het meest kenmerkte, was zijn grote liefde voor Jezus, zijn Redder.

Toen Nikolaus tien jaar oud was, moest hij naar de lerarenopleiding in Halle. Daar kreeg hij les van August Hermann Francke, één van de oprichters van het piëtisme. Tijdens deze opleiding zou Nikolaus worden voorbereid voor de grootste taak, waartoe God hem riep.

Het piëtisme was ontstaan in de 17e eeuw in Nederland, Engeland en Duitsland. Het was een protestants-christelijke geloofsbeleving. Christelijke roeping hield voor hen in: afzondering van de wereld, het doden van aardse lusten en het voortbrengen van vruchten van geloof en liefde.

De piëtisten geloofden dat je het geloof uitte door hart, mond en daad. Hierin verzette men zich tegen de lutherse kerk, waar de nadruk voornamelijk lag bij de leer van het geloof en niet de uiting van het geloof.

In Duitsland was de hoofdfiguur de lutherse predikant Philipp Jacob Spener. Ds. Spener had als doelstelling: het volle licht van het evangelie weer te doen schijnen en te wijzen op de noodzaak van bekering en een heilig leven. Het geloof moet echte vruchten voortbrengen. Want geloof zonder werken is dood, ook al houd je je aan alle wetten.

Ds. Spener kwam op vele plekken en zijn invloed was groot. Spener was de geestelijke vader van August Hermann Francke. Dat kon je dan ook zien in de passie waarmee hij het land door ging om te getuigen van het feit dat een wandel met Christus meer is dan ‘de letter van de wet’.

Door Speners invloed werd Francke benoemd tot hoogleraar aan de universiteit van Halle. Deze plaats werd steeds meer het middelpunt van het piëtisme, want de liefde van Christus begon zich in allerlei vormen naar buiten te openbaren.

Er kwam een weeshuis in Halle, een drukkerij voor Bijbels en christelijke lectuur en predikers werden uitgezonden. Ondanks de tegenstand van de orthodoxe lutherse kerk, heeft deze beweging een nieuw impuls gegeven aan het geloof, die voor de kerk van grote waarde is geweest.

Al op jonge leeftijd had Nikolaus een goede invloed op anderen. Samen met vijf andere jongens had hij namelijk een club om op te komen voor de naam van Jezus. Hij noemde die club: ‘De orde van het mosterdzaad’. Hun doel was om iedereen lief te hebben en het evangelie te verkondigen.

Op zestienjarige leeftijd werd Nikolaus student aan de universiteit van Wittenberg. Zijn voogd stond erop dat hij rechten ging studeren. Er werd geen rekening gehouden met de wens van Nikolaus, die veel liever theologie wilde studeren. Zijn oom vond de vroomheid van Nikolaus overdreven.

Toch was Nikolaus gehoorzaam en ging rechten studeren, eerst in Wittenberg en daarna in Utrecht. In zijn eigen tijd bestudeerde hij theologie. Zelfs toen al was hij tegen de discussies over godsdienstzaken. Zijn latere opvolger A.G. Spangenberg schreef over Nikolaus:

‘Hij heeft meer over God geleerd aan de voeten van de Heiland, dan aan de voeten van mensen.’

In 1719 ging Nikolaus op studiereis ‘om zijn opvoeding te voltooien’. Tijdens die reis raakte hij erg onder de indruk van een schilderij in de kunstgalerij te Düsseldorf, het ‘Ecce Homo’ (vertaling: ‘Zie de mens’) van Domenico Feti, waarop Jezus afgebeeld was met een doornenkroon.

Op het schilderij stonden de woorden: ‘Dit deed Ik voor u; wat doet u voor Mij?’ Die voorstelling bleef hem altijd bij. Zijn hele leven was eigenlijk niets anders dan een antwoord op die indringende vraag.

In Nederland en Frankrijk kwam hij in aanraking met de gereformeerde kerk. Hij zag hier veel overeenkomsten met de lutherse kerk in zijn eigen land. Hierdoor werd zijn overtuiging versterkt dat het Lichaam van Christus niet beperkt is tot één soort kerk en dat het niet samen kan gaan met bepaalde stromingen.

Hij geloofde dat Jezus alleen mensen bijeenbrengt die berouwvol tot Hem komen, met een hart dat brandende is in hen. Dit was dan ook de motivatie van zijn onbevooroordeelde houding ten opzichte van medechristenen, ook al verschilden zij met hem van mening over bepaalde leerstellingen. De band met de opgestane Heer was bij hem het enige wat nodig was om deel te zijn van de kerk.

Tags: