Getuigen-van-Jezus

Getuigen van Jezus: Jeanette Li

Veel mannen en vrouwen werden op een buitengewone manier door God gebruikt. Niet iedereen van deze mannen en vrouwen zijn heel bekend. Maar ook door hen heeft God een groot werk gedaan. In deze serie gaan we dieper in op hun leven en bediening. Deze keer bekijken we het leven van Jeanette Li.

Jeannette Li werd in het najaar van 1899 geboren in het gezin Wan, dat toen in de stad Tetjing woonde, ongeveer 300 kilometer ten zuiden van Kanton in China. Haar vader was heel blij met haar, hoewel hij liever een zoon had gekregen. Hij noemde haar Jasmijnknop, want de jasmijnstruik stond in bloei.

Maar haar moeder was bijgelovig en was bang dat de boze geesten erachter zouden komen dat hun dochtertje zo kostbaar voor hun was en dat zij hun dochtertje daarom kwaad zouden willen doen. Daarom gaf haar moeder haar de naam: ‘Chao Nga’, wat betekent: lelijke schreeuwbaby. Zelfs toen Jeanette ouder was, bleven ze haar zo noemen. Haar vader vond die naam niet prettig en noemde haar To Hing, wat deugd en voorspoed betekende.

Vader Wan besloot haar als een zoon op te voeden. Dat hield in: een goede boeddhist zijn en onderwijs genieten. Soms nam hij Jeanette mee naar een tempel om te aanbidden. Hij vertelde haar over zijn geloof in Boeddha. Goed gedrag zou zegen brengen. En als je zondigde, zou dat als gevolg lijden en ellende met zich meebrengen.

Als je heilig zou leven, zonder fouten te maken, dan zou je uiteindelijk stoppen met reïncarneren. Maar als dat niet lukt, kan je in een oeverloze zee geworpen worden, waar ontsnappen onmogelijk is. Daarom zocht haar vader zijn redding bij Boeddha en steeds aanbad en offerde hij aan de afgoden.

Toen Jeanette ziek was, nam hij haar mee naar de tempel. Een priester schreef iets op een papiertje en verbrandde het voor de afgod en liet haar water met as drinken. Dit zogenaamde ‘medicijn’ maakte haar juist zieker. Maar gelukkig werd ze na korte tijd weer beter. Deze situatie zorgde er echter wel voor dat zij en haar moeder gingen twijfelen aan de afgoden.

Helaas stierf haar vader toen ze ongeveer zeven jaar was. Daardoor sloeg de armoede toe, want haar vader had schulden gemaakt die terugbetaald moesten worden. Uiteindelijk besloot haar moeder om het zusje van Jeanette te verkopen. Haar moeder ging werken om geld te verdienen om het gezin te onderhouden.

Hierna werd Jeanette zo ziek, dat ze in het zendingsziekenhuis opgenomen moest worden. Daar vertelde een vrouwelijke dokter haar voor het eerst over de hemelse Vader en leerde Jeanette om te bidden. Ze knielden samen neer en Jeanette werd een kind van God. Later zei ze: ‘Ik huilde niet meer de hele tijd en ik riep niet langer om mijn vader, want ik wist nu dat in al deze droevige ervaringen Gods hand over mij was.’

Deze dokter zorgde ervoor dat ze naar school kon gaan. Ze ging nu naar de kerk en haar moeder ging met haar mee en kwam kort daarna tot bekering. Niet lang daarna, in het voorjaar van 1909, lieten Jeanette en haar moeder zich dopen door onderdompeling.

Jeanette ging naar de middelbare school. Maar voordat ze haar school kon afmaken, huwelijkte haar moeder haar uit aan een zekere Lei Win Kwan. Ze was toen net vijftien jaar. Haar schoonmoeder bij wie ze moest wonen, maakte het Jeanette moeilijk. Maar gelukkig kreeg ze veel troost door haar geloof.

Op 19 september 1919 werd haar zoon Timotheüs geboren. Het jaar daarna werd haar schoonmoeder ernstig ziek. Jeanette zorgde goed voor haar schoonmoeder. Hierdoor kwam haar schoonmoeder tot bekering en werd haar hart door God veranderd. In 1921 overleed ze.

Jeanette bleef hierdoor alleen achter met haar zoontje. Haar man werkte namelijk in Kanton. Op 10 april 1922 werd hun dochtertje geboren, maar zij stierf binnen een paar weken. Haar man werd een soldaat in het leger. Hij zei dat Jeanette in Tetjing moest blijven.

Later hoorde Jeanette dat hij een tweede vrouw had, wat voor Chinese mannen gewoon was. Haar zoon groeide bij haar op en zelf kreeg ze de leiding over een meisjesschool, waar ze voorlas uit de Bijbel. Zelfs uit de buurt kwamen mannen en vrouwen naar haar luisteren en maakten zo kennis met het evangelie.

In de periode 1929-1930 kreeg ze in dromen en visioenen een duidelijke roeping tot evangeliste. Daarom ging ze van 1932 tot 1934 naar de Ginling Bijbelschool voor vrouwen in Nanking. Jeanette werd uitgezonden naar Tjithar, in het verre noordwesten van Mantsjoerije. Eind 1934 waren de Japanners echter dit gebied binnengevallen. Deze lange reis leerde haar dat wie op de eeuwige Rots vertrouwt, volkomen vrede zal hebben.

Al gauw maakte ze in oktober 1934 haar eerste evangelisatiereis naar verschillende plaatsen in Mantsjoerije. In de stad Mingsjwei kwamen steeds meer mensen tot het geloof in Jezus. Ze verbrandden hun afgoden, wat voor hen een hele overwinning was. Ook lieten ze zich dopen door onderdompeling en werden lid van de gemeente.

De christenen in Mantsjoerije hadden het onder Japanse overheersing al moeilijk genoeg. Maar na het uitbreken van de oorlog tussen Japan en Verenigde Staten op 7 december 1941, werd hun toestand bijna onhoudbaar. De Amerikaanse zendelingen werden in mei 1942 weggezonden uit Tjithar. Godsdienstige samenkomsten werden verboden, ook die van huisgemeentes. Door het vertrek van de zendelingen was haar financiële steun weggevallen.

Vaak werd Jeanette benaderd door de Japanse politie, die haar een baan als onderwijzeres aanboden, onder de voorwaarde dat ze voor hen zou spioneren. Ze moest dan dagelijks rapport uitbrengen over alles wat ze gehoord en gezien had. Om haar over te halen, boden ze haar geld aan. Maar dit weigerde ze aan te nemen. En doordat ze openlijk voor haar geloof uitkwam, werd ze daarna niet meer lastiggevallen.

In 1945 capituleerde Japan en vertrok het Japanse leger. Maar tot de verbazing van de inwoners, vielen hierna communistische troepen uit Mongolië het land binnen. De Russen drongen vaak de huizen binnen, roofden en plunderden. Het was zo erg dat Jeanette besloot te vluchten naar Moekden, dat ongeveer 1.000 km verder lag.

In het voorjaar van 1947 werd Jeanette gevraagd naar Tsjangtsjoen te komen om onder zieken te evangeliseren en in de ziekenhuisbibliotheek te helpen. Jeanette kon daar met veel mensen over God praten en hen tot het geloof in Jezus brengen. Helaas kwam ook deze stad onder communistische invloed en voor de tweede keer werd ze gedwongen om te vluchten.

In het voorjaar van 1948 vluchtte ze naar Moekden, waar ze na een lange reis vol gevaren veilig aankwam bij haar schoondochter en kleindochter. Die stonden haar al op te wachten om samen door te reizen naar het zuiden. Na enige tijd konden ze begin juni met een vliegtuig mee naar Peking. Vandaar gingen ze met de trein naar Tientsin en met de boot naar Sjanghai. Gelukkig konden ze onderweg bij vrienden logeren. Pas in september kwamen ze in haar geboorteplaats Tetjing aan.

Al gauw ging Jeanette in de omgeving evangelisatiewerk doen en kreeg de leiding van het weeshuis. Ze had haar namen veranderd en noemde zich nu Jeanette Li. In oktober werd ze voor het eerst door de communisten gearresteerd. Na ondervraagd te zijn, moest ze voor de rechter verschijnen. Deze kwam tot de uitspraak dat ze de waarheid had gesproken. Zo kwam Jeanette weer gauw thuis.

Zoals tijdens de Japanse overheersing de christelijke godsdienst verboden werd, gebeurde het ook nu. In 1952 werd ze opnieuw gearresteerd, omdat iemand haar vals beschuldigd had. Ze werd pas na 17 maanden vrijgelaten. In die tijd van gevangenschap werd ze heel slecht behandeld. Ze kreeg weinig eten en moest zwaar werk verrichten. En toen ze ernstig ziek was, kreeg ze geen medische hulp.

Vele keren werd ze midden in de nacht en overdag verhoord voor een lange tijd. Ze werd gehersenspoeld om ervoor te zorgen dat ze haar geloof in Jezus zou verliezen. Maar zelfs onder deze omstandigheden bleef ze vasthouden aan haar geloof en aan haar liefde voor Christus.

Na haar vrijlating ging ze eerst weer in Tetjing wonen. Maar omdat ze daar niet meer ingeschreven stond, had ze ook geen recht op het voedsel dat werd uitgedeeld. Dus verhuisde ze met de toestemming van de communistische partij naar Kanton.

Ze bleef voor twee jaar in Kanton en vertelde met passie en met grote vrijmoedigheid het evangelie. Daarnaast deed zij ook sociaal werk en gaf Bijbelstudie. Ze was een vriend en raadgeefster van jonge mannen die later predikant werden in Hongkong, de Verenigde Staten en Indonesië.

Ze vroeg een vergunning aan om naar de Verenigde Staten te gaan, waar haar zoon en zijn gezin woonde. Het duurde jaren voordat ze toestemming kreeg om naar de Verenigde Staten te verhuizen. In 1962 kon zij eindelijk emigreren. Eenmaal in de Verenigde Staten aangekomen, duurde het niet lang voordat ze weer voor de Heer aan het werk ging. Ze sprak vol passie over de Here. Hierdoor werden vele christenen opgewekt, bemoedigd en verlost van hun onverschilligheid.

Tijdens het schrijven van een verslag over de wrede ervaringen in haar gevangenschap, kreeg zij een beroerte. Op 9 mei 1968 nam de Here Jeanette Li thuis. Haar predikant, Ds. Bruce, getuigde van haar:

‘Haar stralend christelijk geloof en leven was ons tot zegen. Ze was altijd bereid om iedereen te vertellen over haar liefde voor de Here, al was het maar voor één persoon of een groep. Haar levendigheid en uitdrukkingskracht sleepten kinderen, jongeren en ook volwassenen mee, zelfs al sprak zij via een tolk. Het is duidelijk dat zij deel uitmaakte van het machtige leger van vrouwen die het goede nieuws van Jezus Christus verkondigen, waarover de psalmist schreef in Psalm 68:12 (HSV).’

Lees ook: ‘Martelaren voor Christus’

Tags: