Getuigen-van-Jezus

Getuigen van Jezus: Johannes de Heer DEEL 2

Veel mannen en vrouwen werden op een buitengewone manier door God gebruikt. Niet al deze mannen en vrouwen zijn heel bekend. Maar ook door hen heeft God een groot werk gedaan. In deze serie gaan we dieper in op hun leven en bediening. Deze keer bekijken we het leven van Johannes de Heer.

Op 55-jarige leeftijd verhuisde Johannes de Heer naar Driebergen. 55 was een bijzondere leeftijd voor Johannes. Toen hij jonger was, had hij een hoge levensverzekering afgesloten die uitbetaald zou worden wanneer hij 55 was. Maar na zijn bekering liet zijn geweten hem niet met rust.

Gods Geest herinnerde hem aan Gods trouw. Johannes zegde de verzekering op, waardoor het al betaalde premiegeld verloren ging en het uitzicht van een verzorgd pensioen verdween. Dit was een grote stap in het geloof, die hem versterkte in zijn geestelijk leven. Het heeft hem in zijn leven aan niets ontbroken.

Johannes de Heer maakte goed gebruik van zijn tijd. Hij wist dat de tijd kort was. De boodschappen die hij bracht, gaf hij altijd aan met ‘V.V.V.’. De drie V’s staan voor: Verlossing door het bloed van Christus; Vervulling met de Heilige Geest; Verwachting van de wederkomst van de Here.

Johannes verwachtte dat Jezus spoedig zou terugkomen, en dat bleek ook uit de boodschappen die hij bracht. In 1937 had hij een lezing in Amerongen waarin hij de verwachting van Jezus’ wederkomst naar voren liet komen. Johannes zei:

‘… Ik kan niet begrijpen, hoe de mensen vandaag de dag kunnen leven, zonder dat zij de weg kennen die redding brengt en zonder dat ze iets van de toekomst van de Here weten. Onder de kinderen van God is er ook weinig kennis over deze verheven, heerlijke en geweldige dingen!

… Wij zijn gered om God te dienen en de terugkomst van Jezus, Zijn Zoon, te verwachten. Jezus heeft ons verlost van de zonden en het oordeel wat daaraan verbonden was. Als wij Christus in Zijn volheid willen dienen, moeten wij alles op alles zetten om Gods kracht door Zijn Geest in ons te laten stromen.

Het is niet genoeg om alleen naar diensten en conferenties te gaan, als ons leven niet verandert. Wij moeten echt bekeerd zijn en gaan leven naar Zijn wil, zodat wij het licht van het evangelie brandend zullen houden in ons land.’

Johannes zei over de strijd in de laatste dagen van de tijd, dat ‘zij allen zullen optrekken naar Palestina, om Jeruzalem te belegeren en de Joden in angst en nood te drijven … Maar als de nood op het hoogst is, komt Jezus. Dan zal Hij Zijn voeten op de Olijfberg zetten. Al Zijn heiligen zullen met Hem komen. Dan zullen ook wij erbij zijn en zien, hoe God door Christus Israël uit de grote nood verlossen zal …’

De Maranatha-gedachte was geen ‘leer van Johannes de Heer’. De Maranatha-gedachte is de verwachting dat Jezus is gekomen en dat Hij weer zal komen. Johannes vertegenwoordigde deze Bijbelse gedachte die er al was, en die er ook na hem zal zijn. Hij citeerde vaak een hervormde predikant, die met hem in Wales was:

‘De Maranatha-gedachte behoort tot het echte Bijbelse christendom, waarvan de wandel in de hemel is. De herontdekking van deze gedachte is goed voor het herstel van de gemeente en het roept de gelovigen op tot opwekking, eenheid en activiteit.’

Velen die door de Maranatha-gedachte aangesproken waren, begonnen de Bijbel te bestuderen. Zij ontdekten dat Jezus door het Woord werd geopenbaard, ze vonden Hem en Hij werd levend voor hen. Johannes’ opvatting van de Bijbel was kort en krachtig. Hij zei dan ook: ‘Lees wat er staat, geloof wat er staat, en je hebt ontvangen wat er staat!’

Johannes de Heer geloofde dat God zowel Israël als Jeruzalem en de tempel zou herstellen. Hij geloofde dat God tot Zijn doel zal komen met Zijn volk en dat het gelovige overblijfsel van Israël Jezus zal erkennen als Messias, voordat Hij terugkomt. Johannes baseerde zijn geloof op het Woord van God, zoals de Bijbelteksten in Hebreeën 6:13, Jeremia 33:17-22, Zacharia 14:9, 16 en Jesaja 56:7.

Hij vond ook tijd om een aantal boeken te schrijven over de eindtijd, zoals ‘Het Duizendjarig Vrederijk’. Als componist en zanger was hij regelmatig op de radio. Als eerste hield hij in 1924 een Bijbeloverdenking voor de radio. Dit leidde tot de oprichting van NCRV, waarvan hij lange tijd bestuurslid was. Op hoge leeftijd werden zijn opwekkingsliederen, die hij als solo’s met orgelbegeleiding zong, in directe uitzendingen door de NCRV uitgezonden.

Johannes ervoer niet dat hij geroepen was om een eigen geloofsbeweging te stichten. Als mensen tot het geloof waren gekomen, verwees hij hen altijd door naar hun eigen kerk en gemeente, om daar getuigen te zijn. Zelf bleef hij altijd lid van de Nederlandse Hervormde Kerk.

Johannes de Heer stond niet bekend als een ‘makkelijk’ mens. Hij kon er niet tegen als mensen hardop hoestten in de samenkomsten of als toehoorders omkeken naar de nieuwe bezoeker. Hij moest ook niets hebben van vleiers en hij liet geen loopje met zich nemen. Johannes streefde ernaar om rechtvaardig te zijn. Zijn focus lag op het bestuderen van het Woord, de wederkomst van Jezus en de tekenen van de tijd. Sommigen waren van mening dat zijn focus te veel hierop lag.

Een bekende journalist en radiospreker dr. P.H. Ritter jr. schreef in een boekje het volgende over Johannes de Heer: ‘Ik moest mij geweld aandoen om mijzelf eraan te blijven herinneren hoe deze rustige mens inderdaad de aanstichter en vertegenwoordiger is van een radicale richting in het godsdienstige leven van Nederland. Zelfs toen hij mij vertelde van aangrijpende momenten in zijn leven, beheerste hij zijn ontroering en emoties … Wanneer Johannes de Heer opmerkt dat Maranatha-bestrijding in strijd is met het volbrachte werk van Jezus aan het kruis, dan wordt het mij duidelijk dat hij een sterke stelling heeft, wanneer je kijkt naar de Bijbelse en theologische onderbouwing.’

Toen Johannes de Heer op 5 juli 1947 in het kamp Mariënbos bij Nijmegen voor de uit Indonesië teruggekeerde Duitse zendelingen sprak, kon hij als gevolg van een hartaanval plotseling niet meer verder spreken. Johannes is daarna nooit volledig hersteld van deze hartaanval.

De avond van zijn drukke leven was aangebroken. Bij het 40-jarig jubileum van ‘Het Zoeklicht’ in 1959 gaf hij op het podium met zijn laatste kracht een getuigenis van zijn Heer. Op 16 maart 1961 overleed Johannes de Heer in zijn woning in Driebergen. Zijn zielzorger, ds. Glashouwer, was bij hem. Op de rouwkaart stond het lied: ‘Veilig in Jezus’ armen, veilig aan Jezus’ hart’.

Een rijk leven was beëindigd. Maar de boodschap die hij bracht, blijft bestaan. In een laatste nieuwjaarsgroet schreef Johannes de Heer aan zijn lezerskring:

‘Of er nog een opwekking zal komen, voordat Jezus komt? Wij kunnen het niet met zekerheid zeggen … Wel kunnen wij in ieder geval niet zonder opwekking in ons eigen hart en leven, om in onze omgeving een vuur te kunnen ontbranden.’

Mogen de woorden van Johannes de Heer een inspiratie voor ons allemaal zijn!

Lees ook: De mensen die God gebruikt’

Tags:
Vorig artikel

Ons Gethsemane

Volgend artikel

Wallpaper: Johan Maasbach