Getuigen-van-Jezus

Getuigen van Jezus: Johannes van der Kemp DEEL 1

Veel mannen en vrouwen werden op een buitengewone manier door God gebruikt. Hierdoor hadden ze een grote impact op de mensen om hen heen in de tijd waarin ze leefden en ook op ons vandaag. In deze serie gaan we dieper in op hun leven en bediening. Deze keer gaan we dieper in op het leven van Johannes van der Kemp.

Johannes Theodorus van der Kemp werd in mei 1747 geboren in Rotterdam. Zijn vader en zijn opa waren predikant in de Lutherse kerk. Al op zestienjarige leeftijd ging Johannes naar de Leidense Universiteit, waar hij medicijnen studeerde. Hij trad dus niet in de voetsporen van zijn vader en opa.

Hij had het christelijke geloof, waarmee hij was opgegroeid, naast zich neergelegd. Hij deed zijn eigen wil en had een zondig bestaan. Hij stopte met zijn studie en diende in het leger van 1766 tot 1780. In deze tijd kreeg hij een dochter bij een vrouw die al getrouwd was. Hij voedde zijn dochter alleen op.

Johannes leefde in ongehoorzaamheid aan de wil van God. Hij had vele affaires met verschillende vrouwen. Er waren momenten dat hij probeerde te stoppen met zijn zondige gewoontes, maar telkens faalde hij. Zijn goddeloze daden deden zijn familie veel pijn, maar ze bleven voor hem bidden.

Nadat hij trouwde met zijn vrouw werd zijn leven rustiger. Hij verbrak alle relaties die hij had met verschillende vrouwen. Hij deed zijn best om naar de kerk te gaan. Maar nog steeds bekeerde hij zich niet, omdat hij niet geloofde in het offer van Jezus. Hij kon zich maar niet over zijn twijfel heen zetten.

Na zijn trouwen ging hij naar Engeland, waar hij in Edinburgh in 1782 promoveerde tot doctor in de geneeskunde. Daarna keerde hij naar Nederland terug en vestigde zich als arts in Middelburg. Na negen jaar verhuisde hij naar Dordrecht.

Hij sprong net op tijd uit de boot om zijn vrouw te grijpen, die met hun kind in de armen onderging. Maar de hevige stroom trok hen naar beneden en ze verdwenen onder het water. Met moeite wist Van der Kemp de drijvende boot te bereiken en vast te houden, totdat hij gered werd. Eenzaam en gebroken sloot Van der Kemp zich in zijn kamer op. Het was na deze schokkende gebeurtenis dat Van der Kemp zich bekeerde.

Weken achter elkaar bad hij dagelijks urenlang, waarbij hij God vroeg wat hij met zijn leven moest doen. Van der Kemp was het boek Romeinen aan het lezen, toen hij ontdekte dat het evangelie voor iedereen was. Terwijl hij dat las, zei een stem: ‘Wat heb jij Mij gegeven?’ Maar op die vraag kon hij geen antwoord geven.

Korte tijd daarna vielen Franse troepen België binnen en ging Van der Kemp naar Gent, om gewonde soldaten te verzorgen. Ze lagen in koude, vochtige kelders. Terwijl hij met een lantaarn tussen de bedden doorliep, zag hij het volgende geschreven op een witgekalkte muur:

‘Mijn Jezus regeert als Soeverein Koning op deze verlaten plaats; hier heeft Hij mijn lippen aangeraakt tot zingen, en mijn hart met dankbaarheid vervuld.’

Toen Van der Kemp die woorden las in het licht van zijn lantaarn, wist hij dat God weer tot hem sprak en hem riep voor Zijn werk.

God riep hem voor een speciaal werk, want terwijl hij een tijd daarna een rapport las over de oprichting van het Londens Zendingsgenootschap in 1795, ervoer hij dat God tot hem sprak. De enthousiaste directeuren van het genootschap riepen gelovigen op om als zendelingen het evangelie verspreiden.

Van der Kemp zag dit als een knipoog van de Here en viel op zijn knieën in zijn studeerkamer in Dordrecht en riep: ‘Hier ben ik, Here Jezus, om mijn leven geheel aan U over te geven en te leven naar Uw wil.’

Nu was Van der Kemp een man van actie, zodat hij meteen naar Londen schreef. Hij werd uitgenodigd om daar te verschijnen voor het bestuur van het genootschap. De directeuren luisterden aandachtig naar zijn bekeringsverhaal, dat hij in vloeiend Engels met schitterende ogen en zwaaiende handen vertelde.

Hij was vol passie om het grote avontuur te ondernemen: het evangelie te brengen bij de mensen van Zuid-Afrika. Voordat hij in 1798 afscheid zou nemen van Nederland om naar Zuid-Afrika te gaan, richtte hij de eerste Nederlandse Zendingsgenootschap op in 1797.

Op kerstnacht was het zo ver en ging Van der Kemp aan boord van het schip ‘Hillsborough’ in de haven van Portsmouth om koers te zetten naar Kaap de Goede Hoop. Onder in het schip zaten 300 gevangenen, die met ijzeren boeien vastgeketend waren. Ze waren bestemd voor de strafkolonies in Australië.

Doordat er water het ruim binnenlekte, werden de mensen drijfnat. Ze kregen slecht en weinig te eten. En toen op de Atlantische Oceaan hevige stormen losbraken, huiverden ze van de kou. Eén van de gevangenen zaagde met een vijltje zijn kettingen door en al gauw liepen enkele mannen dreigend en vloekend rond.

De officier van de wacht meldde dat hij hen niet meer de baas kon worden. De kapitein werd woedend en gaf bevel de eerste de beste die zijn hoofd boven het luik stak, neer te schieten. Toen Van der Kemp dit hoorde, bood hij aan naar beneden te gaan en de mannen te kalmeren. De kapitein zag er geen heil in, maar hij stemde toe.

Toen Van der Kemp in het ruim kwam, werd hij misselijk van de stank die er heerste. In het donker kon hij ongeveer vijftig mensen onderscheiden die hem in het halfdonker aanstaarden. ‘Ik ben als vriend gekomen om allen die ziek zijn te helpen’, zei hij. Toen ze zagen dat hij ongewapend was, lieten ze hem zijn gang gaan.

Van der Kemp besteedde al zijn tijd met de gevangenen. Hij luisterde naar hen, verzorgde hen en hield diensten met hen. Velen van hen stierven echter onderweg en kregen een zeemansgraf. De kapitein moest toegeven dat de vriendschappelijke manier beter was dan die van geweld.

Na veertien weken op zee te zijn geweest, liep de ‘Hillsborough’ de Tafelbaai binnen en zag Van der Kemp zijn nieuwe thuis, Zuid-Afrika. Daar zou hij de rest van zijn leven doorbrengen.

Lees ook: ‘Getuigen van Jezus: Johannes van der Kemp DEEL 2’

Tags: