Getuigen-van-Jezus

Getuigen van Jezus: Johannes van der Kemp DEEL 2

Veel mannen en vrouwen werden op een buitengewone manier door God gebruikt. Hierdoor hadden ze een grote impact op de mensen om hen heen in de tijd waarin ze leefden en ook op ons vandaag. In deze serie gaan we dieper in op hun leven en bediening. Deze keer gaan we dieper in op het leven van Johannes van der Kemp.

In de tijd dat Johannes van der Kemp aankwam in Zuid-Afrika, was de Kaapkolonie in handen van de Hollanders. Op korte afstand van de kust en in het binnenland woonden de Khoikhoi en Xhosa in het land dat altijd van hen was geweest. De oorspronkelijke bewoners waren arm en leefden zoals zij dat gewend waren.

Maar velen van hen moesten als slaven voor de blanken werken. Hierdoor groeide de haat tussen blank en donker. Van der Kemp nam het op voor de onderdrukten, die als dieren verkocht werden. Ze werden gescheiden van hun kinderen door zogenaamde christenen.

Viermaal per week preekte hij voor hen, maar kon verder weinig voor hen doen, tenzij de wetten veranderd werden. Hij was getuige van mishandelingen door de blanken en begreep dat de oorspronkelijke bewoners in ieder geval een vriend en raadgever nodig hadden. Daarom trok hij tegen ieders advies in naar Xhosaland, voorbij de Grote Visrivier.

In mei 1799 vertrok hij uit Kaapstad met een span vrachtwagens. Op de eerste wagen zat Bruntjie, een Khoikhoi olifantenjager, die als gids en tolk dienst deed. Onderweg kwamen ’s avonds boeren naar het kampvuur gereden. De boeren waren blanke Afrikaanstalige inwoners van Zuid-Afrika, die oorspronkelijk uit Nederland en Duitsland kwamen.

Bij het kampvuur las hij uit de Bijbel voor en sprak hen toe in hun eigen taal, het Nederlands. Hij probeerde hun duidelijk te maken dat donkere mensen in Gods ogen gelijk zijn aan de blanken. Hij vertelde de Khoikhoi dat Christus de Vriend en Redder van allen is.

Ondanks aanvallen van groepen Xhosa, stuurde hij twee van zijn volgelingen naar Gaika, de Xhosakoning. Die zond een vriendelijke boodschap en, wat belangrijker was, zijn tabaksdoos als paspoort. Daarmee gewapend ging Van der Kemp het Xhosaland binnen. Telkens wanneer hij een troep stamgenoten gewapend met speren op zich zag afkomen, hoefde hij alleen de tabaksdoos van de koning te laten zien. Dan werden ze diep buigend verwelkomd.

Zo kwam hij na vier maanden trekken het kamp binnen van koning Gaika. De koning maakte Van der Kemp duidelijk dat ze geen blanke mensen wensten te zien, want de koning zei: ‘Die halen mij weg en doden hen.’ Maar Van der Kemp was hier niet door afgeschrikt en antwoordde: ‘Dat is waar, maar ik kom in naam van de Koning der koningen en wil uw vriend worden.’

Ten slotte kregen ze en terrein toegewezen bij de rivier, waar ze hun tent konden opzetten. Van daaruit probeerde hij de vriendschap van de Xhosastam te winnen. Hij richtte een dagschooltje op en verbouwde Hollandse groenten. Ook doopte hij enkele Xhosa’s in de rivier.

Maar door het blijvende wantrouwen van de koning en het vertrek van een collega en de tolk, besloot Van der Kemp om aan het einde van 1800 terug te keren naar Graaff Reinet. Hij wilde binnen de kolonie werken onder de Xhosa, de Bantoes en de Khoikhoi.

Binnen de kolonie in Graaff Reinet stichtte hij een tehuis en een school voor de Khoikhoi. Weer ondervond hij tegenstand, ditmaal van de boeren. Zij wilden dat de Khoikhoi voor zo min mogelijk geld bij hen zouden blijven werken. Zij hielden niet van de preken die Van der Kemp bracht en het onderwijs dat hij gaf.

Van der Kemp zei dapper dat de Khoikhoi gelijk waren aan de boeren en dat ze niet tot werk gedwongen moeten worden. Hij zei ook dat ze ook hun eigen land moesten kunnen bezitten. Deze uitspraken maakten hem gehaat bij de boeren.

Weer vertrok hij met een grote groep Khoikhoi naar een andere plaats, ongeveer 250 kilometer verder. Maar daar was het ook al niet beter. De plaatselijke boeren vielen hen aan om te voorkomen dat ze zich daar zouden vestigen. Van der Kemp had hierop gerekend, en na een korte strijd dropen de boeren af. Maar ze konden er niet blijven, omdat de boeren aan niemand werk wilden geven.

Eindelijk kwamen ze in een eenzame plaats, Bethelsdorp, waar ze toestemming kregen om zich te vestigen. Het was een moeilijke tijd. De grond was hard, het water was te zout en zaad was bijna niet te koop door de onwil van de boeren. Maar de Khoikhoi bouwden weer snel hun strohutten op, plantten vruchtbomen en Bethelsdorp begon vorm te krijgen.

Bethelsdorp werd een toevluchtsoord voor voortvluchtige slaven en wreed behandelde knechten. Elke avond was er een dienst waar Van der Kemp uit de Bijbel voorlas en sprak over de grote Meester, die iedereen liefheeft. Dit was elke dag weer een hoogtepunt voor de mensen in Bethelsdorp.

De grote kwaal van de Khoikhoi was luiheid, maar doordat Van der Kemp hen motiveerde, vertrouwen en liefde schonk, wisten ze die luiheid te overwinnen. Als ze goed behandeld werden, waren het harde werkers. Velen werden van dronkenschap en een slecht leven gered en gingen als zendelingen uit naar hun eigen landgenoten. De boeren wilden daar echter niets van horen en mishandelden deze predikers.

Toen Van der Kemp merkte dat de onmenselijke behandeling van de donkere mensen onverminderd doorging, diende hij een klacht in bij de autoriteiten. In plaats van medewerking te krijgen, bedreigden zij juist de Khoikhoi die in de kolonie woonden met straf, als ze daar zouden weglopen. Altijd moest Van der Kemp of een andere zendeling hen vergezellen.

Ten slotte ging hij met een zendeling naar de gouverneur van Kaapstad om hun klachten voor te leggen van wel 100 moorden van Khoikhoi-leden die de boeren hadden gepleegd. Van dat getal bleven er nog maar 17 moorden over, omdat de Khoikhoi bang waren om te getuigen tegen de boeren. Want het was vaak zo dat een boer eerder werd geloofd dan een donker persoon.

Tijdens de aardbeving van 7 juni 1811 die Kaapstad trof, wist Van der Kemp door zijn kalme houding paniek te voorkomen. Kort daarna werd hij ziek. De zenuwslopende inspanning van elf jaar op het zendingsveld had hem uitgeput. Het einde van zijn tochten en avonturen was aangebroken.

Omstreeks 10 december 1811 overleed Johannes van der Kemp in Kaapstad. In zijn geliefde Bethelsdorp werd hij begraven. Duizenden mensen kwamen uit Kaapstad, blank en donker, officieren, predikanten, zendelingen, Xhosa en Khoikhoi.

De naam en het werk van Johannes van der Kemp leven voort. Hij stond op en durfde te handelen naar zijn overtuiging dat God van alle mensen houdt en dat er geen onderscheid is, welke huidskleur je ook hebt.  Hij vertelde altijd met vriendelijkheid over de liefde van God.

Lees ook: ‘Getuigen van Jezus: Smith Wigglesworth’

Tags: