Getuigen-van-Jezus

Getuigen van Jezus: Sadhoe Soendar Singh DEEL 2

Veel mannen en vrouwen werden op een buitengewone manier door God gebruikt. Hierdoor hadden ze een grote impact op de mensen om hen heen in de tijd waarin ze leefden en ook op ons vandaag. In deze serie gaan we dieper in op hun leven en bediening. Deze keer gaan we dieper in op het leven van Sadhoe Soendar Singh.

Op aanraden van zijn vrienden ging Soendar voor een theologische studie naar het St. John Divinity College in Lahore. Na twee jaar te hebben gestudeerd aan de Bijbelschool, pakte hij weer zijn zwervend leven op. Uit die periode vertelt een ooggetuige het volgende:

‘Ik ontmoette Soendar toen hij van een bergpad was afgedaald om ons dorp het evangelie te brengen. Hij ging op een boomstam zitten, veegde het zweet van zijn voorhoofd weg en begon een christelijk lied te zingen. Maar degene die hem hoorde, wilde geen lied horen over de liefde van Jezus. Eén van hen gaf Soendar zo’n harde stoot, dat hij gewond op de grond viel. Zwijgend stond hij op. Terwijl hij zijn wond verbond, bad hij voor zijn vijanden en sprak toen van de liefde van Jezus, die ons vergeven heeft. Daardoor ben ik later tot bekering gekomen en ook degene die de stoot uitdeelde.’

Dat was niet de enige keer dat Soendar zielen won voor het Koninkrijk van God door zijn gehoorzaamheid aan Jezus’ woorden:

‘Maar Ik zeg jullie: verzet je niet tegen wie je kwaad doet. Als iemand je een klap op de ene wang geeft, keer hem dan ook je andere wang toe.’ – Mattheüs 5:39

Eens bevond hij zich in Nepal, waar hij midden in een bos door vier rovers werd overvallen. Eén van zijn overvallers sprong op hem af met en mes. Soendar boog gewillig zijn hoofd, zonder enige tegenstand, want hij dacht dat zijn laatste uur geslagen was. Dat had de aanvaller niet verwacht. Omdat Soendar geen geld had, namen ze zijn mantel en lieten hem gaan.

Maar snel daarna riep één van de rovers Soendar terug. In plaats van hem te vermoorden, vroeg de rover hem naar zijn naam en wat zijn geloof was. Soendar antwoordde hem, sloeg zijn Nieuwe Testament open en las het verhaal voor van de rijke man en de arme Lazarus.

De rover gaf toe dat het einde van de rijke man hem had laten schrikken. Want als het zo voor de rijke man was afgelopen, wat zou hem dan te wachten staan! Soendar vertelde hem het goede nieuws van Gods liefde en Zijn vergeving. De rover nam Soendar mee naar huis en kwam later onder tranen tot bekering.

In 1912 besloot Soendar Jezus’ voorbeeld te volgen om op een woeste, eenzame plek voor 40 dagen te vasten en zich zo af te zonderen. Zijn vrienden raadden het hem af, maar hij ging er toch mee door. Hij kon het niet tot het einde volhouden, omdat hij te veel verzwakte. Maar voor Soendar was dit een mijlpaal in zijn geestelijke ontwikkeling. Alle twijfels, boosheid en ongeduld had hij nu losgelaten.

In de jaren hierna werd hij hevig vervolgd, maar ook op wonderlijke manieren verlost en gered. In 1914 preekte Soendar in het boeddhistische Nepal. In de stad Rasar werd hij door de Dalai Lama ter dood veroordeeld, omdat hij een vreemd geloof predikte. Hij werd in een put gegooid, die met een deksel werd afgesloten. Daar lag hij naakt, zonder eten of drinken, op de lijken van moordenaars.

In die vreselijke put bracht hij twee volle dagen en nachten door, totdat ‘iemand’ die zich niet bekend maakte, hem eruit haalde en de put achter hem sloot. Snel daarna werd hij opnieuw gevangen genomen en moest hij weer voor de Dalai Lama verschijnen. De Dalai Lama was verbaasd dat Soendar had kunnen ontsnappen, aangezien hij de enige was met een sleutel. Omdat Soendar blijkbaar beschermd werd door een bijzondere ‘God’, vroegen zij hem om snel weg te gaan.

In 1918 kwam hij in Madras (nu: Chennai) en duizenden kwamen naar hem toe om hem te zien en te horen. Zijn prediking was sterk gericht op Christus als Verlosser. In zijn eigen woorden:

‘Zijn tegenwoordigheid geeft mij een vrede die alle verstand te boven gaat. Het maakt niet uit in welke omstandigheden ik mij bevind. Ben ik in de gevangenis, dan is Hij daar. Hij verandert de gevangenis in de hemel, en het kruis is een brand van zegen.

Er zijn vele christenen voor wie Zijn kostbare en levenwekkende tegenwoordigheid geen werkelijkheid wordt, omdat bij hen Christus alleen in hun hoofden of in hun Bijbel is en niet in hun harten. Pas wanneer iemand zijn hart geeft, dan zullen ze Hem vinden.’

Soendar sprak vaak door middel van voorbeelden en gelijkenissen: ‘Na een vermoeiende reis rustte ik uit in de poort van een huis. Een hevige wind stak op. Daar kwam een vogeltje aangevlogen, hulpeloos werd het meegedreven met de sterke wind. Van de andere kant schoot een havik omlaag. Het vogeltje, bereid van alle kanten, streek neer op mijn schoot. Dat zou het anders nooit gedaan hebben, maar nu zocht het veiligheid in het grote gevaar. Zo drijft de storm van het lijden ons in de schoot van God.’

Soendar maakte ontelbaar veel reizen. Hij trok door India en Sri Lanka, in 1918-1919 bezocht hij Maleisië, Japan en China en in 1920-1922 West-Europa, Australië en het heilige land Israël. Hij sprak in vele steden, onder andere Jeruzalem, Bern, Berlijn, Arnhem, Amsterdam en op een zendingsconferentie in Lunteren.

Maar Soendar bleef nederig. Die houding bracht ook zijn vader tot het geloof. Nooit kwam Sundar voor zichzelf op. Zijn prioriteit was om Zijn Meester te volgen, kwaad met goed te vergelden, zijn vijanden met liefde te overwinnen met goede en liefdevolle daden. Vaak bracht dit schaamte teweeg bij zijn tegenstanders.

Zo had hij ergens een week lang gepreekt in de marktstraten, met als enig resultaat nog meer vijanden. Een fanatieke moslim gaf hem een onverwachte stoot op zijn rechterwang. Zonder ook maar iets te zeggen keerde Soendar zijn linkerwang toe. De aanvaller liep weg. Maar ’s nachts stuurde hij een boodschap naar Soendar, waarin hij hem om vergeving vroeg.

Op een andere plek waren mannen bezig om de oogst binnen te halen. Soendar sprak met hen over Jezus, die tarwe in Zijn schuur zal brengen, maar het kaf zal verbranden met onuitblusbaar vuur. Toen ze dit hoorden, begonnen ze hem uit te schelden en hem te bedreigen. Eén van de werkers gooide een steen naar zijn hoofd. Niet lang hierna werd de werker duizelig, kreeg hoofdpijn en moest op de grond gaan liggen.

Zonder aarzelen nam Soendar de sikkel op en werkte in zijn plaats mee. De arbeiders werden zijn vrienden en namen hem mee naar hun woning. Hun harten waren nu geopend en ze luisterden vol aandacht naar het woord des levens. De volgende dag merkten ze dat hun oogst groter was dan ooit alle voorgaande jaren.

Elke zomer streefde Soendar ernaar om Tibet te bezoeken. Maar nadat hij in 1923 terug kwam uit Tibet, was zijn lichaam ernstig verzwakt. In de jaren hierna reisde hij niet meer en besteedde zijn tijd aan mediteren en boeken schrijven over de prediking die hij geleefd had.

Koningin Wilhelmina schrijft in haar memoires dat zij jarenlang de geschriften van Soendar Singh heeft bestudeerd. ‘Steeds weer had ik bij de lezing van de sadhoe de indruk dat ik putte uit een bron, waaruit Christus’ leven zelf mij tegemoetkwam. Zo nauw was de sadhoe met onze Heiland verbonden en zo geheel stond zijn leven in het teken van het verlangen Zijn lijden te delen. Ik mag gerust zeggen dat Soendars liefde voor Christus geen grenzen kende.’

In 1929 wilde hij weer graag Tibet bezoeken. Zijn vrienden raadden het hem af, maar Soendar was vastbesloten om de reis te maken. Op 18 april begon hij aan deze reis waarvan hij niet terugkeerde. Soendar Singh laat het getuigenis na, dat in zijn leven de woorden van Jezus in Marcus 8:35 de waarheid zijn geworden:

‘Want wie zijn leven wil behouden, zal het verliezen. Maar wie zijn leven vanwege Mij en voor Gods plan verliest, zal het behouden.’

Tags:
Vorig artikel

Dit is mijn wonder: Rabina

Volgend artikel

De verloren zoon