Getuigen-van-Jezus

Getuigen van Jezus: William Carey DEEL 2

Veel mannen en vrouwen werden op een buitengewone manier door God gebruikt. Niet al deze mannen en vrouwen zijn heel bekend, maar ook door hen heeft God een groot werk gedaan. In deze serie gaan we dieper in op hun leven en bediening. Deze keer bekijken we het leven van William Carey.

Eenmaal in India, kreeg Carey allerlei moeilijkheden te verwerken. Armoede, koorts, sterfgevallen, de psychose van zijn vrouw, jaloezie van de regering. Het leek alsof alles tegen hem samenspande. Na enige tijd kreeg hij een baan in een indigofabriek. Hij leerde de landstaal, stichtte scholen en maakte zendingsreizen. Hij begon het Nieuwe Testament te vertalen en werkte tegelijkertijd aan een drukpers. Zo gingen zes jaren voorbij.

Toen werden er nog vier werkers door de vereniging uitgezonden om hem te assisteren. Een van hen was William Ward, die zowel drukker als journalist was. Carey had hem al in Engeland leren kennen. Nu had Carey iemand om hem bij het drukken te helpen. Een andere medewerker, Joshua Marshman, was een geleerde die verschillende talen kende. Zijn vrouw leidde een kostschool, waardoor de uitgeputte kas van de zending gevuld kon worden.

De Oost-Indische Compagnie bleef hen dwarszitten. Gelukkig vonden zij een toevlucht bij een Deense kolonie in Serampore, in de buurt van Calcutta. De Deense gouverneur, kolonel Bie, was een gelovige man, die blij was deze protestantse zendelingen te kunnen helpen. Men zou Serampore ‘de wieg van de christelijke zending’ kunnen noemen. Daar hadden de zendelingen de vrijheid om te spreken en hun drukpers te gebruiken.

Met het geld dat Carey verdiende en uit Engeland had gekregen, kocht hij een huis voor de zendingsgezinnen. Er kwam een kerkzaaltje in, een ruimte voor de drukpers en een school. Maar pas in 1800 kreeg William Carey zijn eerste bekeerling, een arme hindoe-timmerman, die Krishna Pal heette. Deze werd door een bende gegrepen en voor de rechter gesleept, omdat hij de wet van de kaste had overtreden door met de zendelingen te eten. Gelukkig besloot de rechter hem vrij te spreken.

Op 28 december, de laatste zondag van dat jaar, vond de eerste doopdienst plaats. In aanwezigheid van vele belangstellende hindoes, moslims en Europeanen werden Krishna Pal en Felix Carey door William Carey gedoopt in een dichtbijgelegen rivier. Al snel volgden er meer doopdiensten.

Krishna bleek een uitstekende medewerker te zijn. Hij bouwde een kerk en betaalde de kosten zelf. Dat was de eerste kerk voor de christenen die in Bengalen waren geboren. Ook een Brahmaan van een hoge kaste werd een christen en begon zelf het evangelie te verkondigen.

In 1801 was een college geopend waar Carey tot zijn verrassing benoemd werd als leraar. Inmiddels kwam in dat jaar het Nieuwe Testament in het Bengaals van de pers. De zendelingen beseften maar al te goed dat het noodzakelijk was dat de mensen de Bijbel in hun eigen dialect konden lezen. Dan pas zouden ze christen worden.

Door zijn kennis van het Sanskriet kreeg Carey de aanstelling tot professor tegen een ongekend hoog salaris van 1500 pond per jaar. Door zijn liefde voor de letterkunde en het leven van India, trok hij vele Indiërs tot zich en werd hun vriend. Tussen 1802 en 1809 werd het Bengaalse Oude Testament in gedeeltes uitgegeven.

Maar op een avond in 1812 ontdekte men dat de drukkerij in brand stond. Alles was verbrand. De schade was vijfduizend dollar en niets werd door de verzekering gedekt. Zonder aarzelen zocht Carey een deel van het metaal op. Gelukkig waren de gietvormen van de letters gespaard gebleven en konden er nieuwe letters gegoten worden.

Hierdoor konden de drukkers binnen enkele maanden weer aan het werk. Vanaf dat moment ging het werk sneller voort. Er kwamen meer zendelingen. In Engeland was men anders gaan denken over de waarde van zendingswerk.

Toen de Oost-Indische Compagnie haar contract wilde verlengen, werden de reglementen die het zendingswerk beperkten als nietig verklaard door de regering. Nu ontving de Engelse schoenmaker eindelijk erkenning en eerbetoon. In de jaren daarna kwam door hem veel tot stand. Hij richtte een eigen college op, vestigde aandacht op sociale en politieke misstanden en preekte meerdere keren per week.

De zendelingen besloten de Bijbel in 15 Oosterse talen te vertalen met de hulp van bekwame inheemsen. In 1832 waren delen van het Oude en Nieuwe Testament vertaald in 44 dialecten. Dit was een gigantische taak, vooral als je bedenkt dat Carey niet over spraakkunsten en woordenboeken beschikte in de verschillende dialecten.

In 1807 stierf Dorothy na een langdurige psychose. Na verloop van tijd hertrouwde William Carey met Charlotte Rhumohr, die zowel Deens, Duits, Frans als Engels sprak. Ze was een echte hulp voor hem, zowel als huisvrouw als medewerker bij zijn vertaalwerk. De jaren die ze samen hadden, waren voor Carey jaren van echt geluk.

Charlotte stierf in 1821 en het jaar daarop stierf zijn oudste zoon Felix op 36-jarige leeftijd. In die eenzame jaren daarna ontmoette hij zijn derde vrouw, de vriendelijke en bedachtzame Grace Hughes, een jonge weduwe. Zij verzorgde William Carey liefdevol toen hij ouder werd.

Na een uiterst werkzaam leven overleed William Carey op 9 juni 1834, met de nieuwste druk van het Bengaalse Nieuwe Testament in zijn hand. Hij had een nieuwe impuls gegeven aan de kerk om het evangelie aan heel de wereld te vertellen. Duizenden zendelingen zouden daardoor uitgaan naar vele landen. William Carey was de man die de weg baande!

Tags: