Inspiratie - Het verhaal van Charlie Coulson

Het verhaal van Charlie Coulson

Het volgende verhaal is echt gebeurd. Het komt uit een boek uit de 19e eeuw, met als titel: ‘Opmerkelijke verhoringen van het gebed’.

Ik was een chirurg in het leger van de Verenigde Staten tijdens de Burgeroorlog. Na de slag van Gettysburg, lagen er honderden gewonde soldaten in mijn ziekenhuis. Velen waren zo ernstig gewond dat er een been of een arm – of soms beide – geamputeerd moest worden.

Een van hen was een jongen die nog maar drie maanden in dienst was. Omdat hij te jong was om soldaat te zijn, had hij zich laten inschrijven als een drummer. Toen ik hem chloroform wilde geven vóór de amputatie, weigerde hij het. Hij legde zijn hand op de mijne, keek mij aan en zei:

‘Dokter, op een zondagmiddag toen ik negen jaar was, gaf ik mijn hart aan Jezus. Sinds dat moment heb ik geleerd op Hem te vertrouwen, en dat doe ik nog altijd. Ik weet dat ik ook nu op Hem kan vertrouwen. Hij is mijn kracht. Hij zal mij ondersteunen terwijl u mijn arm en been amputeert.’

Ik vroeg hem of ik hem dan ten minste wat brandy mocht geven. Weer keek hij mij aan en zei: ‘Dokter, toen ik zo ongeveer vijf jaar was, knielde mijn moeder naast mij neer met haar armen om mij heen en zei:

‘Charlie, ik bid Jezus dat je nooit ook maar één glas alcohol zal drinken. Je vader stierf als een dronkaard en ik heb God gevraagd mij te gebruiken om mensen te waarschuwen tegen het gevaar van drinken, en ze aan te moedigen om de Heer lief te hebben en te dienen.’

Ik ben nu zeventien jaar, en ik heb nog nooit iets sterkers gedronken dan thee of koffie. Er is een grote kans dat ik ga sterven en in de tegenwoordigheid van mijn God zal verschijnen. Wilt u me naar Hem toesturen, versuft van de chloroform of met alcohol in m’n adem?’

Nooit zal ik de blik vergeten die de jongen mij gaf. In die tijd haatte ik Jezus, maar ik respecteerde de jongen voor zijn trouw aan zijn Verlosser. En toen ik zag hoe hij Hem liefhad en vertrouwde tot het einde toe, werd mijn hart heel diep geraakt. Ik deed voor die jongen wat ik nog nooit voor een andere soldaat had gedaan. Ik vroeg hem of hij zijn legerpredikant wilde zien. De predikant kende de jongen goed, omdat hij hem regelmatig in de tentsamenkomsten zag.


De legerpredikant pakte Charlie’s hand vast en zei: ‘Misschien ga je niet sterven, Charlie, maar als de Heer je naar huis roept, is er dan iets wat ik voor je kan doen als je er niet meer bent?’ ‘Dominee, wilt u onder mijn kussen kijken? Daar ligt m’n Bijbeltje. Het adres van mijn moeder staat erin. Wilt u het naar haar toesturen en haar een brief schrijven? Zeg haar dat er, sinds ik van huis ben gegaan, nog nooit een dag is geweest waarin ik niet Gods Woord heb gelezen, of ik nu op mars was, op het slagveld, of in het ziekenhuis. En dat ik elke dag gebeden heb of God haar wilde zegenen.’

‘Is er nog iets anders wat ik voor je kan doen, jongen?’ vroeg de predikant. ‘Ja, wilt u alstublieft een brief naar mijn zondagsschoolonderwijzer sturen, en hem vertellen dat ik zijn bemoediging, goede raad en vele gebeden voor mij nooit ben vergeten? Die hebben mij geholpen en getroost door al de gevaren van de oorlog heen. Ik dank de Heer voor mijn geliefde oude meester, en vraag Hem hem te zegenen en te sterken. Dat is alles.’

Toen keerde hij zich naar mij toe en zei: ‘Ik ben klaar, dokter. Ik beloof u dat als u mij geen chloroform geeft, ik niet zal huilen of kermen terwijl u mijn arm en been eraf snijdt.’ Ik beloofde hem geen chloroform te geven, maar had niet de moed het mes ter hand te nemen zonder zelf eerst wat brandy te nemen.

Terwijl ik door het vlees sneed, gaf Charlie geen kik. Maar toen ik de zaag nam om het bot te scheiden, nam hij een hoek van het kussen in zijn mond en fluisterde: ‘O Jezus, geliefde Jezus! Sta mij nu bij.’ Hij hield zijn belofte: hij jammerde of kreunde niet. Die nacht kon ik niet slapen. Hoe ik me ook draaide in bed, steeds zag ik maar die zachte blauwe ogen. En als ik mijn ogen sloot, hoorde ik telkens de woorden:

‘Geliefde Jezus, sta mij nu bij.’

Even na middernacht ging ik ten slotte mijn bed uit en bezocht het ziekenhuis – iets wat ik nog nooit gedaan had, tenzij er een noodgeval was. Ik had zo’n vreemd, sterk verlangen om die jongen te zien. Toen ik bij zijn bed kwam, vertelde een van de verpleegsters dat al  om negen uur twee leden van de Y.M.C.A. het ziekenhuis rondgingen om de Bijbel te lezen en psalmen te zingen. De legerpredikant was ook bij hen; hij knielde bij Charlie’s bed en bad vurig en ontroerend een gebed. Toen, terwijl zij nog op hun knieën waren, zongen zij het lieflijkste van alle liederen: ‘Jezus, minnaar van mijn ziel.’ Charlie zong het lied met hen mee. Ik kon maar niet begrijpen hoe die jongen, die zo’n vreselijke pijn leed, toch kon zingen.

Vijf dagen nadat ik de operatie had verricht, vroeg Charlie om mij. Van hem hoorde ik mijn eerste evangeliepreek. Hij zei: ‘Dokter, mijn tijd is gekomen. Ik heb mijn laatste zonsopgang gezien. Ik dank u met mijn hele hart dat u zo vriendelijk en goed voor mij was.


Ik weet dat u Joods bent en niet in Jezus gelooft. Maar ik wil dat u bij mij blijft en mij ziet sterven, terwijl ik tot op het laatste moment op mijn Heer en Heiland vertrouw.’ Ik probeerde bij hem te blijven, maar was er niet toe in staat. Ik had de moed niet om erbij te staan terwijl een christelijke jongen stierf, die zich verheugde in de liefde van Jezus, die ik haatte. Daarom verliet ik snel de kamer.

Zo’n twintig minuten later kwam er een hospitaalsoldaat mijn kantoor binnen, terwijl ik met mijn handen voor mijn gezicht achter mijn bureau zat. Hij vertelde mij dat Charlie mij wilde zien. ‘Ik heb hem zojuist gezien’, antwoordde ik, ‘en ik kan hem niet nog eens zien.’ ‘Maar dokter, hij zegt dat hij u nog één keer moet zien voordat hij sterft.’ Toen besloot ik om naar hem toe te gaan, een paar vriendelijke woorden te zeggen, en dan weg te gaan. Maar ik was vastbesloten mij niet in het minst te laten beïnvloeden door wat hij ook tegen mij zou zeggen over zijn Jezus.

Toen ik bij hem kwam, vroeg hij mij of ik zijn hand wilde vasthouden en zei toen: ‘Dokter, ik houd van u, omdat u een Jood bent. De beste vriend die ik ooit in deze wereld heb gevonden, was ook een Jood.’ Ik vroeg hem wie dat was en hij antwoordde: ‘Jezus Christus, en ik wil u aan Hem voorstellen voor ik sterf. Wilt u mij beloven, dokter, dat u nooit zult vergeten wat ik nu tegen u ga zeggen?’ Ik beloofde het. Hij zei: ‘Vijf dagen geleden, toen u bezig was mijn arm en been te amputeren, bad ik tot de Here Jezus Christus, en vroeg Hem om Zijn liefde aan u bekend te maken.’ Deze woorden drongen diep door in mijn hart. Ik kon niet begrijpen hoe hij, terwijl ik hem de meest intense pijn deed, zichzelf kon vergeten en aan niets kon denken dan alleen aan zijn Redder en mijn onbekeerde ziel. Ik kon alleen maar tegen hem zeggen:

‘Wel, mijn beste jongen, alles zal spoedig met jou helemaal in orde zijn.’

Met deze woorden verliet ik hem en twaalf minuten later viel hij in slaap, ‘veilig in Jezus’ armen’. Honderden soldaten stierven in mijn ziekenhuis tijdens de oorlog, maar ik volgde slechts één van hen naar het graf, en dat was Charlie Coulson. Ik was aanwezig op zijn begrafenis. Ik zag erop toe dat men hem een nieuw uniform aandeed, en in een officiersdoodskist plaatste met de Amerikaanse vlag eroverheen.

De woorden die deze jongen op zijn sterfbed sprak, hadden een diepe indruk op mij gemaakt. In die tijd was ik financieel gezien rijk, maar ik had elke cent willen geven die ik bezat, als ik zo veel voor Jezus Christus had kunnen voelen als Charlie deed. Maar dat gevoel kan niet met geld gekocht worden.

Helaas was ik dat preekje van mijn christelijke soldaat snel vergeten. Maar de jongen zelf kon ik niet vergeten. Als ik terugkijk, weet ik nu dat ik op dat moment ten diepste overtuigd was van zonde. Maar bijna tien jaar lang vocht ik tegen Christus met al de haat die ik had. Net zolang tot het gebed van die lieve jongen beantwoord was en ik mijn leven overgaf aan de liefde van Jezus.

Ongeveer anderhalf jaar na mijn bekering, ging ik op een avond naar een gebedsdienst in Brooklyn. Nadat verschillende christenen hadden gesproken, stond er een oudere dame op. Ze zei: ‘Lieve vrienden, dit is misschien wel de laatste keer dat ik de gelegenheid heb om in het openbaar met u te delen hoe goed de Here voor mij geweest is.

Mijn dokter vertelde mij gisteren dat mijn rechterlong niet meer werkt en dat mijn linkerlong snel achteruitgaat. Ik zal dus nog maar een heel korte tijd met u zijn. Het is een grote vreugde voor mij om te weten dat ik spoedig mijn zoon bij Jezus in de hemel zal ontmoeten. Charlie was niet alleen een soldaat voor zijn land, maar ook een soldaat voor Jezus. Hij werd gewond in de strijd van Gettysburg, en werd verzorgd door een Joodse dokter, die zijn arm en been amputeerde. Hij stierf vijf dagen na de operatie. De legerpredikant van het regiment schreef mij een brief en stuurde mij Charlie’s Bijbel. Hij schreef dat Charlie in zijn stervensuur om die Joodse dokter had gevraagd en tegen hem zei: ‘Dokter, voor ik sterf, wil ik u vertellen dat toen u mijn arm en been amputeerde, ik tot de Here Jezus voor u heb gebeden.’


Toen ik deze dame hoorde spreken, kon ik niet blijven zitten! Ik stond op, rende door de gebedsruimte naar haar toe. Terwijl ik haar hand vastpakte, zei ik: ‘God zegene u, mijn lieve zuster. Het gebed van uw jongen werd gehoord en verhoord! Ik ben de Joodse dokter voor wie Charlie bad, en zijn Verlosser is nu ook mijn Verlosser! De liefde van Jezus heeft mijn ziel gewonnen!’

Tags: