Inspiratie - Ik was gebroken, helemaal kapot

Ik was gebroken

Ik herinner het me nog heel goed. Ze kwamen me halen, omdat de koning per se mij wilde hebben in het paleis bij het diner met zijn hooggeplaatste genodigde gasten. Ik voelde me zeer gevleid en zelfs trots dat hij mij gevraagd had. Er waren tenslotte zo veel anderen die hij ook had kunnen vragen. Dan moest ik toch wel heel bijzonder zijn.

Wat was het leven hier toch mooi! Dat was wel een beetje anders dan dat saaie gedoe thuis. Altijd maar hetzelfde. Elke avond met de familie aan tafel en dat eten en drinken… Ja, niets bijzonders. Ik had het wel gezien. Nu wilde ik wel eens weten wat er nog meer te koop en te doen was. En nu heb ik het helemaal gevonden!

Toen ik een keer buiten stond, werd ik ineens ontdekt. Iemand vroeg mij mee naar het paleis. Hij kende namelijk iemand in het paleis die mij wel mooi zou vinden. Zo kwam ik in het paleis terecht.

Ik maakte me helemaal klaar en zorgde dat ik er van top tot teen stralend uitzag. Toen een hofdame mij naar de koningstafel bracht, draaide iedereen zich om. Ze keken me na en bewonderden mij. De koning hield mijn hals stevig vast en trok mij naar zich toe.

Hij hield ervan om met mij te pronken. Ik was zijn nieuwe liefde, zei hij lachend. Hij verlangde ernaar dat elke keer wanneer hij een diner had met belangrijke gasten uit het binnen- en buitenland, ik erbij zou zijn. Tijdens de etentjes dronken ze geen water. Nee, de duurste wijnen werden geschonken.

Ik schitterde elke dag, avond na avond. Het voelde alsof ik op wolkjes liep. Genietend van alle aandacht, merkte ik te laat dat ik bezit van de koning was geworden. Hoe leuk en hoe mooi ik het in het begin ook vond, mijn vrijheid was weg.

Naast het feit dat mijn vrijheid van mij was afgenomen, waren er ook nog anderen gekomen die nog mooier waren dan ik. De koning had geen aardig woord meer over voor mij. Als ik moest komen, schreeuwde hij. En als ik niet snel genoeg kwam, kreeg hij een woede-uitbarsting. Hij greep me dan bij mijn hals tot het zo’n pijn deed. Soms gooide hij me zelfs neer.

De bediendes en knechten waren bang voor hem en durfden hem nooit tegen te spreken. Hij sloeg je als je iets deed of zei wat hij niet prettig vond. In het begin zag ik dat niet, maar langzamerhand begon ik in te zien wat zij doormaakten. Je had geen eigen wil meer en er was geen kans of mogelijkheid om ooit uit het paleis weg te komen.

Ik huiverde bij de gedachte dat de koning mij nooit zou laten gaan. ’s Avonds huilde ik mezelf in slaap als ik eenzaam en alleen was. Ik dacht terug aan thuis. Hoe eenvoudig en simpel het ook was, ik had het daar altijd goed. Ik miste mijn vader met zijn lieve, zachte blauwe ogen. Hij zei nooit veel, maar zijn liefde was daar.

Had ik het maar ingezien. Had ik maar niet verlangd naar die ‘wereld’ waar ik nu ben, waarvan ik niet weet hoe ik eruit moet komen. Zouden ze thuis nog aan me denken? Zouden ze me misschien een beetje missen? Als ik van het paleis zou vluchten, wat zou er dan met me gebeuren? De prijs was hoog. Ik kon niets meenemen en zou alles moeten achterlaten. Kon ik dat?

De volgende dag was ik niet bij de koning. Er waren anderen waar de koning wel om had gevraagd. Ik voelde mij weer eenzaam. Ik nam de beslissing om weg te gaan bij deze slechte koning. Maar had ik de kracht om dat te doen? Kon ik wel tegen hem op? Hij had macht over iedereen en dat maakte mij bang.

Ik dacht aan mijn thuis, die veilige plaats, waar ik liefde gekend heb. Dat gaf mij weer hoop. O, wat was het toch warm die dag. Alle ramen stonden al open en alle kannen met water waren al op. Plotseling kwam een van de knechten naar de keuken en pakte me hard beet en zei: ‘Hé, je moet naar de koning. Hij wil je nu!’

Mijn hart bonsde en ging tekeer. Zoals gewoonlijk greep de koning mij stevig bij mijn nek en zette mij ruw neer. Voordat ik het wist, zei ik: ‘Ik ga weg. Ik ben hier al lang genoeg geweest. Ik ga!’ Nu ik eraan terugdenk, ril ik weer van de angst en doet het me pijn. Maar ik moet het je vertellen. Want misschien ben jij ook gevallen voor de charmes van die koning.

De koning greep mij beet, hij begon te schreeuwen en te vloeken. In zijn woede-uitbarsting voelde je de hele tafel trillen. Hij greep mij vast en liep naar het open raam. ‘Je zult nooit van een ander zijn. Nooit! Je bent van mij. Ik heb je gestolen bij je vader vandaan. Hoe durf je bij mij weg te gaan? Als ik je niet kan hebben, zal een ander je nooit krijgen!’

Toen smeet hij mij vanaf de tweede verdieping uit het raam. Ik stortte neer op de grond. Alles aan mij was gebroken. Mijn hele leven viel in scherven. Ik schreeuwde het uit van de pijn. Ik voelde alles aan mij kapot gaan en de enorme hitte van de zon verteerde mij bijna. Juist op het moment dat mijn leven wegvloeide, zag ik de schaduw van iemand die over mij heen bukte.

Ik keek op en zag de meest zachte en blauwe ogen die er maar waren. Het leek alsof hij verdriet had over wat er met mij gebeurd was. Zijn ogen van medelijden gaven mij troost. Tranen liepen over zijn wangen toen hij de scherven één voor één oppakte en ze in een doek van zachte stof legde. Zo werd de pijn verzacht. Het nam uren in beslag en het was zo heet, maar het leek hem niet te vermoeien.

Steeds weer hoorde ik hem diezelfde woorden fluisteren: ‘Kom maar, ik maak je weer nieuw. Kom maar bij mij; Ik zorg voor je.’ Hij droeg mij naar zijn atelier en legde mij op een ronde plank. Hij pakte schoon water en goot dat voorzichtig over mij uit. Ik huilde… Al mijn glans, mijn schittering, mijn mooie diamanten; waar zijn ze?Ik heb niets meer, helemaal niets.

Toen maakte hij weer iets moois van mij. Hij maakte mij helemaal nieuw! Ik was niet meer de oude. Nee, ik was totaal nieuw! Toen hij klaar met mij was, goot hij de duurste geurende olie over mij heen en zette mij op de plank. Hij glimlachte naar me en zei: ‘Nu moet je wachten en sterk worden.’

Ik was zo dankbaar en gelukkig dat hij mij gered had van die verschrikkelijke koning. Ik genoot van deze eenvoudige, maar sterke man, die zo vriendelijk was. Elke keer als hij tegen mij sprak en ik in zijn liefdevolle ogen vol zorg keek, kreeg ik weer hoop dat alles goed zou komen.

De man verliet zijn atelier en ik bleef alleen achter met mijn gedachten. Hoe heeft het toch ooit zo ver kunnen komen dat ik mijn goede huis had verlaten voor iemand? Ja, iemand die zich voordeed als een geweldige koning, maar mij gewoon had gestolen en mij bijna had vernietigd? Wat was er van mij geworden als ik niet op tijd was ontsnapt? Stel je voor dat ik daar was gebleven?

Ik rilde weer even, maar besloot om het achter mij te laten en er niet meer naar terug te kijken. Ik had een nieuwe kans gekregen om opnieuw te beginnen! Ik kijk uit naar wat vóór mij ligt. Zodra het kon, zou ik mijn handen uit de mouwen steken. Ik voelde me al sterker!

Met die beslissing in mijn gedachten, merkte ik op dat de vriendelijke man weer binnenkwam. Ik zag dat hij iets in zijn handen had. Hij had tranen in zijn ogen. Had iemand hem iets aangedaan? Hij liep naar de ronde plank en begon voorzichtig allerlei stukjes neer te leggen.

Daar had ik ook gelegen. Het was een mooie vaas, ingelegd met prachtige diamanten en een mozaïek van verschillende gouden ornamentjes. De vaas was zo erg kapotgeslagen dat het tot gruis gemaakt moest worden. Lijmen was geen optie.

Ik voelde met de vaas mee, want ik wist hoeveel pijn het deed. Ik wilde roepen: ‘Geef je over; dan doet het minder pijn!’ Maar dat kon niet, want je moet er zelf doorheen. Een ander kan het niet voor je doen. Uiteindelijk moet je zelf tot dat punt komen.

De man was uren bezig. Zweetdruppels liepen langs zijn gezicht. Maar dat hield hem niet tegen. Hij had alleen één doel voor ogen: ‘Ik moet hem weer nieuw maken. Daarna pakte hij het water en goot kleine scheutjes op het gruis. Hij begon het klei te kneden. Langzaam gleden zijn vingers door de klei. Hij wist wat het kostte om opnieuw te beginnen.

Na verloop van tijd rook ik parfum. Waar kwam die heerlijke geur vandaan? vroeg ik me af. Maar dan zie ik het: de vriendelijke man giet olie in de vaas. Zou ik ook zo heerlijk ruiken? Ik hoop het maar! Ik ben blij; verdrietig hoef ik niet meer te zijn. Want het oude is voorbij, en ik ben helemaal nieuw gemaakt!

Misschien is jouw leven net zo kapot door iets wat je hebt meegemaakt. Misschien heeft iemand je zo verwond dat je niet meer weet waar je het moet zoeken. Dan wordt het tijd dat je je overgeeft aan de Man met de liefste ogen. Alleen Hij kan je helpen. Ik heb Hem ook gevonden. Zijn naam is Jezus. Als je Hem vindt, dan kan Hij jou nieuw maken. Geef jezelf vandaag aan Hem over.

Lieve vriend of vriendin, open je hart, ga op je knieën en vraag Hem om je zonden te vergeven, je te reinigen en je helemaal nieuw te maken. Je zult nooit meer hetzelfde zijn. Echt, nooit meer! Eén ontmoeting met Jezus vult je leven met Zijn liefde!

Gebed
Bid met mij mee…

‘Liefdevolle Jezus, ik heb U zo nodig. Mijn leven is gebroken, net als die vaas. Maar ik heb gehoord dat als U in mijn leven komt, ik opnieuw kan beginnen. Vul mij met Uw liefde vandaag. Vergeef mijn zonden en reinig mijn hart van alles wat ik verkeerd heb gedaan. Ik geloof dat U uit de hemel bent gekomen en gestorven bent aan het kruis voor iedereen die in U wil geloven. Ik geloof, Here. Ik wil U aannemen als mijn Redder. Kom in mijn hart. Dank U, Here Jezus. Ik prijs U voor wat U voor mij heeft gedaan. Amen.’

Tags: