Inspiratie - Noach

Noach

‘Noach vertrouwde op God. Toen God hem voor de toekomst waarschuwde, geloofde Noach Hem, hoewel niets erop wees dat er een grote overstroming zou komen. Hij deed wat God hem opdroeg en bouwde een ark om zijn gezin te redden. Zijn vertrouwen maakte het ongeloof van de wereld zichtbaar en door dat vertrouwen werd Hij een van hen die voor God rechtvaardig zijn.’ – Hebreeën 11:7

Het zweet parelde op Noachs voorhoofd en sijpelde langs de grijze slapen van zijn gezicht. Noach pakte een doek en veegde het zweet af van zijn zongebruinde gezicht, die leerachtig aanvoelde. Kalm maar vastberaden, pakte hij een ruwe houten lat en schaafde hem op de juiste maat. God had Noach exacte instructies gegeven over de bouw van de ark. Het grote schip moest een beneden-, midden- en bovendek hebben, en 150 meter lang, 25 meter breed en 15 meter hoog worden. Natuurlijk moest er een deur in komen, een luik en een lichtvenster.

‘Noach volgde al de bevelen van de HERE op.’ – Genesis 7:5

Het zondegezwel
Het nieuws verspreidde zich als een lopend vuurtje en niet één, niet twee, maar allemaal begonnen ze de draak met de eigenaardige ‘bootbouwer’ te steken. Noach was bedroefd. Hij waarschuwde de mensen al jarenlang, maar ze wilden niet luisteren. Ouders trokken hun kinderen mee in hun weerzinwekkende manier van leven, waardoor jong en oud doof en blind was voor Gods waarschuwingen. Geweld en onrecht vierden hoogtij. Het afschuwelijke gezwel, genaamd zonde, vernietigde de hele mensheid.

‘Maar de HERE bekeek met afkeer het zondige gedrag van de mensen. Van al hun voornemens zag Hij dat de opzet boos was. Daarom had Hij er spijt van dat Hij hen had geschapen en Hij voelde Zich diep gekwetst. Hij zei: ‘Ik zal ze uitroeien. Niet alleen de mensen, maar ook alle dieren, kruipende dieren en de vogels. Ik had ze nooit moeten maken.’ Maar aan Noach had de HERE welgevallen.’ – Genesis 6:5-8

God had gewacht en gehoopt dat Zijn schepping tot inkeer zou komen. Velen waren door het groeiende geweld in het nauw gekomen. Maar ze weigerden om hulp bij God te zoeken. In plaats daarvan hieven ze hun vuist op naar de hemel. ‘Als er écht een God bestaat, waar is Hij dan?!’ Ze vervloekten alles wat met Hem te maken had. ‘Och Heer, hoe lang moet mijn ziel dit nog verdragen?’, zei Noach tegen zichzelf. ‘Waarom komt er niet één tot inkeer?’

Naarmate de decennia verstreken, werd de slechtheid steeds bruter en grover. De grootste goddelozen waren niet geliefd en bekend ondanks hun zonde, maar vanwege hun zonde. Zij die het aanzien en de macht hadden om de zonde een halt toe te roepen, deden niets. Ze bestempelden alles wat God goed noemde, als slecht.

Uiteraard keurden ze alles goed wat God verdriet deed. Net als alle anderen, trotseerden ze de levende God en bespotten Zijn geboden. De slechtheid wortelde dieper en dieper in het hart van de mensen, totdat al hun gedachten verdorven waren.

Terwijl Noach ijverig verder werkte, dacht hij aan zijn kinderen. Het was niet altijd eenvoudig geweest om hen goed op te voeden. Toch was de grens duidelijk. De scheidslijn was zó zichtbaar, dat je er alleen doelbewust overheen kon stappen. Jafeth en Sem luisterden naar hun vader zonder tegenstand te bieden. Ze hadden een diepgeworteld geloof in God. Cham had meer moeite om de correcties van zijn vader te aanvaarden. Noach bad voor Cham en vroeg God om Zijn genadehand op hem te houden.

Noach, de rechtvaardige
De jongemannen werkten hard door. Noach leek haast te hebben om de ark af te krijgen en zorgde ervoor dat zijn jongens hun werk precies uitvoerden.

Na de maaltijd rustte Noach uit en dacht terug aan het moment dat hij Gods stem hoorde: ‘Ik heb besloten de hele mensheid uit te roeien, want zij is de schuld van alle geweld en slechtheid’, had God gesproken. ‘Ja, Ik zal de bewoners van de aarde vernietigen.’

Daarna gaf God de rechtvaardige Noach, die genade vond in Zijn ogen, de opdracht een ark te bouwen. Om het schip waterdicht te maken, moest Noach het hout – goferhout – aan beide kanten bestrijken met pek. ‘Ik zal namelijk een enorme watervloed over de aarde laten gaan die alle levende wezens zal doden. Iedereen en alles zal sterven. Maar met u sluit Ik een verbond: u zult veilig in het schip zijn met uw vrouw, uw zonen en hun vrouwen’ (Genesis 6:17-18).

Noach had een diep verlangen om zijn Schepper blij te maken. Zijn overgrootvader, Henoch, had ook met God gewandeld en was op oude leeftijd wonderbaarlijk door God weggenomen. Zijn opa, Methuselach, was gezegend met 969 levensjaren! Lamech, zijn vader, had over Noach gezegd: ‘Deze zoon zal troost brengen voor het harde werk dat wij moeten doen op deze door God vervloekte grond’ (Genesis 5:29). Hij had hem de naam Noach gegeven, wat ‘troost’ betekent. Noach leefde zuiver, rein en oprecht.

Maar de rest van de wereld werd steeds slechter. Het kwaad verspreidde zich als een smerige olievlek uit over heel de aarde. ‘Toen zag God de aarde, en zie, zij was verdorven; want alle vlees had een verdorven levenswandel op de aarde’ (Genesis 6:12, HSV).

Noach bleef standvastig en klemde zich vast aan de ware, levende, goede God. Noachs tijdgenoten hadden een hekel aan deze ‘heilige man’, die hun levensstijl afkeurde en veroordeelde. Hij riep hen op om zich tot God te bekeren.

Noach geloofde God
Noach wist dat het oordeel van God lang tegengehouden kon worden door zijn gebeden. Maar het uur zou aanbreken dat er een einde kwam aan Gods geduld. De Almachtige had veel pijlen in Zijn koker en had er Zelf één uitgekozen waarmee Hij een einde zou maken aan een maatschappij die tot in haar diepste kern verdorven was.

God hield van de mens en wilde dat elk mens gered werd. Hij had zorgvuldig het hart van ieder mens onderzocht, en één goede man gevonden: Noach! Al was het er maar één, de Almachtige zou zorgen dat hij niet met de rest vernietigd werd. Hij gaf de rest van de mensheid bovendien veel jaren de tijd om zich tot Hem te keren. Als iemand – hoe slecht zijn daden ook waren – vol spijt tot Hem kwam, zou Hij hem vergeven. Maar niemand kwam.


En toen kwam de vloed
‘De dag brak aan waarop de HERE tegen Noach zei: ‘Ga met uw familie aan boord van de ark, want u bent de enige rechtvaardige tussen al die anderen die de aarde bewonen’ (Genesis 7:1). Toen de ark echt helemaal klaar was, begonnen de vrouwen hun mannen te helpen om het verzamelde proviand in de ark te brengen.

God had Noach gezegd dat hij van elk dier een mannetje en een vrouwtje in de ark moest laten komen. Van de reine dieren en de vogels moest hij zeven paar aan boord nemen. Uit eigen beweging kwamen de dieren naar de ark. De natuur hoort en gehoorzaamt de stem van zijn Schepper. Nog één keer waarschuwde Noach de mensen met klem: ‘Kom in de ark! Daar zijn jullie veilig! De vloed zal komen en jullie zullen omkomen, als jullie je nu niet bekeren.’

Men schudde onverschillig het hoofd. Hier en daar werd er gelachen. De mensen aten en werden dronken. Ze hielden feestjes en trouwden. Niets wees op het naderende onheil. Maar Noach nam zijn vrouw, zijn zonen en diens vrouwen en ging in de ark. ‘Toen sloot de HERE God de toegang tot de ark’ (Genesis 7:16). Eén dag ging voorbij, twee dagen, drie… Dagenlang kwamen er allerlei mensen naar de ark kijken, die nog altijd op het droge stond, terwijl de zon helder scheen. Toen brak de zevende dag aan.

‘Ik riep, maar u luisterde niet en niemand zag hoe ik mijn hand uitstak. Mijn raad hebt u naast u neergelegd en mijn vermaning wees u van de hand.’ – Spreuken 1:24-25

Plotseling werd de strakblauwe lucht asgrauw. De zon verdween en grote wolken pakten zich samen. De mensen keken verbaasd op naar de hemel. Toen opende God de sluizen van de hemel, waardoor de regen met bakken uit de lucht viel. De mensen keken angstig naar de aanhoudende bliksemschichten en stopten hun oren toe bij het onheilspellende geluid van het luide donderen.

Toen opende de Almachtige de ondergrondse watermassa’s. Het onheil overviel de mensen, zoals een dief midden in de nacht onverwachts een huis inbreekt en de bewoners uit hun slaap wekt. Er ontstond een ontzetting en paniek, zó groot, dat men het luidkeels begon uit te schreeuwen. Overal klonken luide kreten om hulp. Vol angst vluchtten velen met hun kinderen naar de nabije bergen. Men klom wanhopig in bomen en op alles wat hoog was.

‘HERE, U weet uw vijanden te vinden. Wie U haten, zullen niet aan U ontkomen.’ – Psalm 21:9

Een massa mensen verdrong elkaar om de ark van Noach te bereiken. Want daar zouden ze veilig zijn. De zwakkeren werden door de sterkeren geplet. Zij die de ark bereikten, bonkten op de deur en schreeuwden: ‘Noach, doe open! Heb medelijden met ons! We geloven u! We hebben spijt! We zullen ons bekeren!’ Maar al zou Noach het willen, hij kón de deur niet open doen, want God Zelf had de deur gesloten!

Er was geen tijd meer voor berouw. Het oordeel van God werd voltrokken. Aan de tijd van genade en bekering was een einde gekomen. Jammerend werd men meegesleurd door de krachtige waterstromen, om uiteindelijk in het kolkende, woeste water voorgoed te verdwijnen.

‘Hij spaarde ook de mensen niet die vlak voor de grote overstroming leefden, behalve Noach, die de mensen opriep voor God te gaan leven, en zijn zeven familieleden. Maar God liet alle andere mensen, die niets van Hem wilden weten, door de grote overstroming verdrinken.’ – 2 Petrus 2:5

Veilig in de ark
Noach en zijn gezin zaten ontsteld en zwijgzaam in de ark. Het water steeg en tilde de ark met gemak op, zodat deze begon te drijven. Na veertig dagen en nachten sloot God de watersluizen van de hemel en de waterbronnen van de aarde. Toen werd het stil.

Het water reikte meters boven de allerhoogste bergtoppen. ‘De watervloed bedekte de aarde 150 dagen lang’ (Genesis 7:24). De ark dreef maandenlang op het water, maar God was Noach, zijn gezin en de dieren niet vergeten! Hij stuurde de wind over het water, zodat het begon te zakken.

De ark liep uiteindelijk vast op het gebergte van Ararat. Drie maanden later kwamen de andere bergtoppen boven het zakkende water uit. Na nog eens veertig dagen, opende Noach het venster en liet een raaf los. De raaf vloog heen en weer, waarna Noach een duif losliet om te kijken of de aarde al droog was. De duif vond nergens een veilige plek en vloog terug naar de ark. Het water stond nog te hoog.

Een week later probeerde Noach het nog eens. De duif vloog weg en kwam tegen de avond terug met een olijfblad in z’n snavel. Noach wist toen dat het water bijna weg was. Na een week liet hij de duif weer los en deze kwam niet meer terug.

Eindelijk, acht weken nadat Noach door het raam van de ark zag dat het water weg was, zei God: ‘U mag de ark verlaten, met uw vrouw, zonen en schoondochters. Laat alle dieren, de vogels, het vee en alle kruipende dieren los, dan kunnen zij zich weer voortplanten en de aarde vullen’ (Genesis 8:16-17).

Gods belofte aan Noach
Het eerste wat Noach deed toen hij uit de ark kwam, was een altaar bouwen. Hij nam een aantal dieren van de kleine veestapel reine dieren en offerde deze aan de Here. God was blij met het offer van Noach. Hij zegende Noach, sloot een verbond met hem en zijn zonen, en beloofde de aarde nooit meer door een grote watervloed te verwoesten. Als teken – om de mens aan deze belofte te herinneren – gaf God de kleurrijke regenboog.

‘Als de regenboog aan de hemel staat, zal Ik hem zien en denken aan het eeuwigdurende verbond tussen Mij en alle levende wezens op aarde.’ – Genesis 9:17

Noach en zijn gezin maakten een nieuw begin en zorgden ervoor dat de aarde weer werd bevolkt. Zolang elk lid van het gezin God zou liefhebben met heel zijn hart, heel zijn ziel, heel zijn verstand en heel zijn kracht, en zijn naaste zou liefhebben als zichzelf, zou de zegen van de Heer hen navolgen. Na de watervloed leefde Noach nog 350 jaar. Hij werd landbouwer, plantte een wijngaard, en stierf toen hij 950 jaar was.

Jezus is vandaag de Ark 
Als wij de regenboog vandaag zien, mogen we herinnerd worden aan Gods belofte. Maar ook aan het verhaal van Noach en Gods roep om voor Hem te leven en Zijn liefde bekend te maken in deze wereld. Hoe slecht we ook geweest zijn, als we vol spijt tot Hem komen, vergeeft Hij ons graag.

Jezus, Gods Zoon, is vandaag de Ark waardoor we voor eeuwig gered kunnen worden. Bij Hem kunnen we veilig schuilen voor alles wat er nog in de wereld gaat gebeuren. Daarover kunnen we lezen in de Bijbel, Gods Woord, in onder andere Mattheüs 24. God verzekert ons, Zijn kinderen, van Zijn eeuwige liefde, als Hij door de profeet Jesaja zegt:

‘Net als in de tijd van Noach, toen Ik zwoer dat Ik de aarde nooit meer door een grote watervloed zou laten overstromen, zweer Ik nu dat Ik mijn toorn nooit meer zo over u zal uitgieten als nu het geval is. Want de bergen kunnen wegzakken en de heuvels verdwijnen, maar mijn eeuwige ontfermende liefde zal u niet verlaten. Mijn belofte van vrede aan u zal nooit worden gebroken, zegt de HERE, die Zich over u ontfermt.’ – Jesaja 54:9-10

Tags: