uit-het-leven-van-abraham

Uit het leven van Abraham

Abraham leefde een leven van geloof. Hij is de geloofsvader van Joden, christenen en ook de Arabieren. Door Abraham zijn alle mensen gezegend, omdat uit zijn zoon Isaak, de Messias is geboren.

Abraham in Haran
In het Bijbelboek Genesis lezen we de geschiedenis van Abraham, onze geloofsvader. God gaf Abraham de volgende opdracht:

‘Verlaat uw land en uw familie en ga naar het land dat Ik u zal wijzen.’ – Genesis 12:1

In Genesis 11:31-32 lezen wij dat Abraham deze opdracht gedeeltelijk volbracht doordat hij met zijn vader Terach, zijn neef Lot en zijn vrouw Sara op weg ging naar Kanaän. Maar onderweg vestigden zij zich in Haran. Zij bleven daar tot Terach stierf.

‘Toen Abraham nog in Mesopotamië woonde, verscheen God aan hem en zei: ‘Verlaat uw land en uw familie en ga naar het land, dat Ik u zal wijzen.’ Hij trok weg uit zijn vaderland en ging naar Charan. Daar bleef hij wonen tot zijn vader, die met hem mee was gegaan, stierf. Daarna leidde God hem naar dit land, waar u nu woont.’ – Handelingen 7:2-4

Hieruit blijkt dat de relatie die Abraham had met zijn familie, hem tegenhield om volledig gehoorzaam te zijn aan Gods roeping. De invloed van de mens probeert je altijd af te houden van het vervullen van Gods roeping.

De mens is gewend om op een lager niveau te leven dan wat God voor ons heeft bedoeld. Als wij willen leven op het niveau dat God voor ons heeft bestemd, dan hebben wij nederigheid, eenvoud en geloof nodig. Deze eigenschappen stellen ons in staat om Gods grote genade te begrijpen en aan te nemen wat God ons aanbiedt. De Heilige Geest leidt ons in de waarheid en helpt ons onze hemelse roeping te verstaan. Hieraan moeten wij ons vasthouden. Als Abraham volledig overtuigd was geweest van Gods roeping, dan zou hij nooit in Haran gebleven zijn. Als een christen Gods roeping verstaat en die roeping volbrengt, dan zal dat leiden tot leven en heerlijkheid.

In het leven van Abraham zien we dat de dood van zijn vader de band verbrak die hem bond aan Haran. Wanneer wij sterven aan onszelf, wordt de band verbroken waarmee wij van nature gebonden zijn aan deze wereld, zodat wij in eenheid met God kunnen leven.

Terwijl Abraham in Haran was, wachtte God geduldig op Abraham. Maar in Haran kreeg hij geen nieuwe openbaringen van God. Dit leert ons dat wij in Gods wil moeten leven, zodat God ons Zijn wil kan openbaren. Op het moment dat Abraham Haran verliet, openbaarde God Zich weer aan Abraham.

Gods beloften aan Abraham
Nadat Abraham samen met Sara en zijn neef lot uit Haran waren vertrokken, kregen de herders van Lot en Abraham ruzie. Daarom zei Abraham: ‘Lot, laten we geen ruzie maken. Kies jij maar welk stuk land jij wilt hebben.’ Lot keek met zijn verstandelijke ogen en hij zag de mooie Jordaanvlakte waar voldoende water was. Nadat Lot had gekozen, riep de Here Abraham en zei tot hem:

‘Kijk zo ver u kunt naar alle kanten, want al dit land zal Ik u en uw nakomelingen geven.’ – Genesis 13:15

Abraham maakte veel mee in zijn leven, maar na elke beproeving herinnerde God hem aan Zijn beloften. Dan zei God tot Abraham:

‘Kijk naar boven en tel al die sterren eens als u kunt! Zo zal uw nageslacht zijn: ontelbaar!’ – Genesis 15:5

‘Uw nakomelingen zullen net zo talrijk zijn als de sterren aan de hemel en het zand langs de zee.’ – Genesis 22:15

Abraham geloofde dat God hem zou zegenen met een groot nageslacht. Doordat Abraham geloofde in Gods belofte, beschouwde God hem als een rechtvaardig mens.

Maar na verloop van tijd was Sara nog steeds onvruchtbaar en hadden zij en Abraham nog geen kinderen. Daarom zei ze tegen Abraham:

‘Neem mijn dienares tot vrouw. Haar kinderen zullen dan de mijne zijn.’ – Genesis 16:2

Abraham stemde hiermee in en door Hagar werd Ismaël geboren. Maar de Here God sprak: ‘Niet Hagar, maar Sara zal je de zoon geven die Ik je beloofd heb.’ Toen Sara dit hoorde, lachte zij. Ze was namelijk al 90 jaar en Abraham 100 jaar oud.

Maar ook nu geloofde Abraham God en twijfelde niet aan de belofte. Hij werd gesterkt in zijn geloof. Abraham vertrouwde op God en gaf God de eer. Hij was er compleet van overtuigd dat God in staat was te doen wat Hij beloofd had. Daarom verklaarde God hem rechtvaardig (Romeinen 4).

Abrahams beproeving
Zoals God had beloofd en had bedoeld, werd Isaak, de zoon van de belofte, geboren. Jaren gingen voorbij, toen de Here opnieuw een opdracht had voor Abraham:

‘Abraham! Neem uw zoon, uw enige, van wie u zoveel houdt, Isaak, ga naar het land Moria en offer hem daar als een brandoffer aan Mij. De plaats waar u dat moet doen, zal Ik u wijzen.’ – Genesis 22:1-2

De volgende morgen stond Abraham vroeg op en hakte zelf het hout, zadelde zijn ezel op en ging op weg met zijn zoon en twee knechten. Toen hij bij de berg Moria kwam, wees de Here Abraham de plaats aan waar het offer gebracht moest worden.

Abraham liet zijn knechten achter en beklom met Isaak de berg. Isaak zei: ‘Vader, we hebben het hout en het vuur, maar waar is het lam dat wij moeten offeren?’ Abraham antwoordde: ‘Mijn zoon, God zal Zelf voor een offerlam zorgen.’ Dit was echt ‘geloofstaal’.

Eindelijk waren ze op de plaats die God had genoemd en samen bouwden ze een stenen altaar. Vóór Abraham Isaak op het altaar bond, moet hij aan Isaak hebben uitgelegd waarom hij dit deed. God vroeg hem om het liefste wat hij had, de zoon van de belofte, aan Hem terug te geven.

Abraham was God gehoorzaam en hield tegelijkertijd vast aan Gods belofte. Hij zei: ‘Isaak, mijn zoon, ik weet niet hoe, maar ik geloof dat de Here bij machte is om jou aan mij terug te geven’. Dit is ook voor ons een bemoediging om God te gehoorzamen en te geloven dat Hij alles laat meewerken ten goede.

Isaak moet gezegd hebben: ‘Ja, vader, u weet wel wat u doet. Neem mij maar!’ Isaak liet zich vrijwillig op het hout vastbinden. Abraham had dit hout zelf gehakt, omdat het een heilige zaak was.

De tijd was aangebroken. Abraham stond klaar om de zoon die hij van God gekregen had, terug te geven aan God. Met het vuur in zijn ene hand, hief hij het mes in zijn andere hand omhoog om Isaak als een offerlam te slachten. Maar op dat moment riep de Engel van de Here:

‘Abraham! Abraham! Leg het mes weg en laat de jongen ongemoeid. Ik weet nu dat God de belangrijkste is in uw leven. Zelfs uw eigen zoon, uw enige, van wie u zoveel houdt, wilde u Mij geven.’ – Genesis 22:12

God voorzag in een offer. Er was een ram die met zijn horens vastzat in de struiken. Abraham nam de ram en offerde hem in plaats van Isaak. En Abraham noemde die plaats: ‘De Here zal erin voorzien’.

Abraham had opstandingsgeloof
Toen sprak  God opnieuw tot Abraham:

‘Ik, de Here, heb Mijzelf gezworen dat Ik u en uw nageslacht rijk zal zegenen, omdat u Mij hebt gehoorzaamd en Mij zelfs uw enige zoon wilde geven. Uw nakomelingen zullen net zo talrijk zijn als de sterren aan de hemel en het zand langs de zee. Zij zullen hun vijanden overwinnen en een zegen zijn voor alle volken van de wereld, en dat alles omdat u Mij hebt gehoorzaamd.’ – Genesis 22:16-18

Omdat er niemand hoger of groter is dan de Here God Almachtig, de Alfa en de Omega, het begin en het einde, zwoer God bij Zichzelf, bij Zijn troon die eeuwig standhoudt. Abrahams en Isaaks geloof werden op de proef gesteld. Beiden waren God dankbaar voor het leven dat Hij gespaard had.

Maar hoe kon Abraham zo’n grote geloofsdaad doen? De reden was dat Abraham opstandingsgeloof had. Hij geloofde dat God bij machte was om zijn zoon uit de dood terug te geven. Hij heeft nooit aan de belofte van God getwijfeld door ongeloof (Romeinen 4:20-21).

Als wij in dezelfde voetsporen treden als het geloof van Abraham, dan zal dat ons ook rechtvaardig maken (Romeinen 4:3). We lezen in Galaten 2:16 dat de mens niet gerechtvaardigd wordt door zijn werken, maar door het geloof in Jezus. Door het geloof zijn wij mede-erfgenamen van de belofte in Jezus Christus. Wij worden gerekend tot het nageslacht van Abraham, waardoor Gods zegeningen en beloften ook voor ons zijn (Galaten 3:6-9).

Lees ook: ‘Ontdek een hoger niveau van leven’

Tags: