Vrolijk-kerstfeestr-meneere-keene

Vrolijk kerstfeest, meneer Keene! – DEEL 1

De hele stad vroeg zich af waarom de rijke meneer Keene nooit meer naar de kerk ging en waarom hij zo’n hekel had aan kerst. Waarom zouden de kinderen zich met moeite door de sneeuwstorm moeten voortslepen naar de top van de heuvel om slechts kerstliedjes voor hem te zingen? Hij zou het niet waarderen. Toch deden ze het. En toen…

Ze liepen met z’n vijven het pad af, terwijl hun schoenen zachtjes kraakten op de besneeuwde weg. Bij de hoek stopten ze onder een straatlantaarn. Bobby, de oudste, trok de wollen das weg van zijn gezicht.

‘Waar zouden we nu naartoe moeten gaan?’ vroeg hij. Iedereen was even stil. ‘Zullen we ook nog naar het huis van meneer Keene gaan?’ vroeg zijn zus, Marilyn. Terwijl ze in de vage duisternis tuurde, kon ze de woning van meneer Keene zien, die zich in flauwe omtrekken aftekende op een heuvel, iets minder dan een kilometer bij hen vandaan.

De anderen zwegen. Ze hadden kerstliedjes gezongen voor de mensen uit de buurt. Het was nooit bij hen opgekomen om het verder te wagen – en zeker niet om te zingen voor de eigenaar van de ‘Keenes Handelswaar’ winkel.

‘Het is aardig ver’, zei Joanie, een lange elfjarige. Ze bestudeerde de bochtige weg naar het huis. ‘Ja, en meneer Keene is hardhorig’, viel Earl in. ‘Bovendien gaat hij nooit naar de kerk’, voegde Bobby toe. ‘Hij houdt niet eens van kerstliedjes.’

De kinderen hadden hun ouders horen speculeren over de redenen waarom meneer Keene nooit een voet over de drempel van de kerk zette. Sommigen zeiden dat het was omdat hij te doof was om de prediker te verstaan. Anderen dachten dat de enige miljonair van Northridge vrijgesteld was van alledaagse dingen zoals het gaan naar de kerk.

Terwijl de kinderen overwogen of ze naar huis zouden gaan of dat ze de lange weg naar het huis van meneer Keene zouden trotseren, doordrong Mary Anns schelle stem de nachtlucht.   ‘Als we liedjes voor hem zingen, kunnen we hem uitnodigen voor het kerstspel.’

Het kerstspel van de kinderen was het hoogtepunt van de kerstviering van de stad. Angie Atwood, de regisseuse, had een uitvoerige voorstelling ontworpen met engelen, wijze mannen, herders en een kinderkoor in witte gewaden.

‘We willen dat de hele stad hier zal zijn met kerstnacht’, had Angie gezegd op de oefening op zondag. ‘Het zal het mooiste kerstspel ooit zijn.’ Terwijl de kinderen aan het praten waren, woei de wind hevig. ‘Laten we dat doen’, zei Bobby. ‘Mevrouw Angie zou dat fijn vinden.’

Het huis van meneer Keene stond afzonderlijk van de stad. Het was gelegen op een stuk grond van ongeveer 2 hectare, omgeven door hoge bomen.

Toen de kinderen het huis naderden, merkten ze op dat er maar een paar lichten aan waren. ‘Denk je dat hij ons zal horen?’ vroeg Earl, terwijl hij z’n ogen opsloeg naar het raam. ‘Zijn huishoudster, mevrouw Rustad, wel’, antwoordde Joanie.

Ze stonden tot aan hun knieën in de sneeuw en zongen: ‘O, kleine stad van Bethlehem…’ Toen de laatste toon vervaagde, wachtten ze, maar er gebeurde niets. ‘Laten we ‘Jubel het uit’ proberen’, zei Bobby, terwijl hij met z’n voeten stampte om warm te blijven. Ze spanden hun stem in, terwijl ze al die tijd hun hals uitrekten om door het raam een glimp op te vangen van meneer Keene.

‘Hij kan ons niet horen’, zuchtte Joanie. Niet snel ontmoedigd, vulden ze hun longen met koude lucht en zongen ‘Stille Nacht’. ‘Het heeft geen nut’, zei Earl. ‘Hij is te doof.’

Zoals soldaten, vermoeid door de strijd, draaiden ze zich om om terug te gaan.

‘Kinderen! Kinderen, zouden jullie binnen willen komen en voor meneer Keene willen zingen?’ Mevrouw Rustad kwam vanuit de schaduw tevoorschijn. ‘Zouden jullie binnen willen komen?’ herhaalde ze. ‘Ja! Ja!’ riepen ze.

Springend over de opeenhopingen van sneeuw, baanden de zangers zich een weg naar de achteringang van het huis. Mevrouw Rustad leidde hen naar een grote, verwarmde kamer. ‘Wacht hier’, zei ze.

De deur zwaaide open en meneer Keene stapte de kamer binnen. Niemand sprak. Om meneer Keene tegen te komen in zijn winkel was één ding; om hem in zijn huis te zien was iets anders.

‘Jullie zijn gekomen om voor mij te zingen?’ vroeg hij. Zijn strenge, grijze ogen bewogen over de kinderen. Vijf hoofden knikten. Ze begonnen te zingen: ‘Jubel het uit. De Heer is hier…’, zongen ze. De woorden vol hoop verwarmden de koude kamer. Zachtjes zongen ze ‘Stille Nacht’ en vervolgens ‘Hoor, de eng’len zingen d’eer’.

Terwijl de muziek vervaagde, droogde mevrouw Rustad haar ogen. Meneer Keene schraapte z’n keel en schoof met z’n voeten.

‘Ga je hem niet vragen?’ De schelle stem van Mary Ann verbrak de stilte. Ze keek naar Bobby. ‘Het was jouw idee’, antwoordde hij vinnig. ‘Waar hebben jullie het over?’ vroeg meneer Keene. ‘Het kerstspel, meneer’, zei Bobby. ‘In de kerk op kerstnacht. Wilt u komen?’

Meneer Keene begon te lachen. ‘Jullie willen mij in de kerk hebben? Ik ga niet naar de kerk. Ik ging wel toen ik jullie leeftijd had. Maar niet meer sinds…’ Zijn stem vervaagde. Meneer Keene streek z’n hand over zijn hoofd. ‘Het spijt me, kinderen.’

Joanies stem verbrak de stilte. ‘Vrolijk kerstfeest, meneer Keene.’ ‘Vrolijk kerstfeest’, zeiden de anderen terwijl ze achter elkaar de deur uit liepen. ‘Ja, nou, jullie ook vrolijk kerstfeest’, zei meneer Keene zonder de kinderen aan te kijken.

Een dunne, witte maan verscheen, terwijl de kinderen de landweg begonnen af te lopen. Met hun gezicht gebogen in hun wollen dassen, sleepten ze zich in stilte voort. Uiteindelijk sprak Bobby. ‘Misschien is het oude kerstspel toch niet zo belangrijk’, zei hij langzaam. ‘Als een miljonair zoals meneer Keene niet wil komen, waarom zouden we het dan opvoeren?’

Toen de kinderen klaar waren met oefenen en naar huis waren gegaan, zakten mevrouw Angie, Freda Nordquist, de koorleidster, en Lillian Borg, de pianiste, weg in de voorste kerkbank.

‘Ik hoop dat de volgende oefening op zaterdag vloeiender zal gaan’, zuchtte mevrouw Angie. ‘Leek het volgens jullie ook alsof de kinderen … ongeïnteresseerd waren?’

‘Bobby Carlson bijvoorbeeld’, constateerde Freda. ‘Dit kind is gewoonlijk zo enthousiast om een herder te zijn. Hij leek … lusteloos.’ Haar stem bleef hangen bij het laatste woord. ‘Precies!’ riep mevrouw Angie uit. ‘Dat is precies het woord – lusteloos.’ Ze trok een felblauwe muts over haar grijze krullen en reikte naar haar jas. ‘Ik hoop niet dat hij met iets komt. Tot ziens, dames. Ik zie jullie morgen in de kerk.’

Terwijl mevrouw Angie de kerkdeur achter zich dichttrok, merkte ze een groep kinderen op, onderaan de trap. Een van hen stond met z’n rug naar haar toe. ‘Het kerstspel is niet zo belangrijk.’ De luidruchtige stem van Bobby Carlson zweefde naar de bovenste trede.


‘Meneer Keene zal niet aanwezig zijn. En hij weet veel, want hij heeft een miljoen dollar verdiend en runt een grote zaak. Waarom zouden we iemand uitnodigen? Ik heb meneer Keene gevraagd om te komen, maar hij denkt niet dat het belangrijk genoeg is om z’n gezicht te laten zien!’ Bobby hield de anderen geboeid.

‘Bobby Carlson!’ De stem van mevrouw Angie klapte als een zweep. Ze daalde snel de tien treden af naar de kinderen. ‘Bobby, wie heeft jou verteld dat het kerstspel niet belangrijk is? Iemand heeft dat idee in jouw gedachte gebracht. Wie was het?’ Ze keek naar de anderen en doorzocht elk gezicht.

‘Het was meneer Keene’, zei Mary Ann. ‘Toen Bobby hem vroeg om te komen, zei hij dat hij niet naar de kerk ging. Nooit!’

Joanie stak haar hand op. ‘Sommigen van ons zongen kerstliedjes voor meneer Keene, en we nodigden hem uit voor het kerstspel, omdat u zei dat we iedereen moesten uitnodigen. Hij zei dat hij vroeger altijd naar de kerk ging, maar nu niet meer. En toen zei Bobby dat als een miljonair, zoals meneer Keene, niet naar het kerstspel wil komen, het misschien niet zo belangrijk is.’

Mevrouw Angie sloeg haar armen over elkaar. ‘Hmmm. Dat zullen we nog wel zien. Bobby, Mary Ann, Joanie. Wie zong er nog meer kerstliedjes voor meneer Keene?’ Earl en Marilyn staken aarzelend hun handen op. ‘Kom met me mee’, beval mevrouw Angie.

Het was twee weken voor Kerst. De drukte in ‘Keenes Handelswaar’ was groter dan gewoonlijk. Nieuwsgierige ogen volgden Angie Atwood en de kinderen die de trap op marcheerden naar het kantoor van meneer Keene.

Mevrouw Angie boog zich naar het kantoorraam en zei: ‘Ik zou graag meneer Keene willen spreken.’ Toen sprong ze op, geschrokken door een norse stem achter haar. Meneer Keene stapte uit de schaduw. ‘Je wilt me zien, Angie?’ Zijn ogen waren ijskoud, en hij droeg een grijze hoed.

Mevrouw Angie vouwde haar handen. ‘Zachary Keene, ik heb je 25 jaar lang met rust gelaten.’ ‘Dat was niet mijn keuze’, zei hij bits. ‘Maar begrijp ik het goed, Zachary,’ ging ze verder, ‘dat jij deze kinderen hebt gezegd dat je niet naar het kerstspel komt?’ ‘Ja, maar…’ probeerde meneer Keene in te brengen, maar mevrouw Angie ging door met praten.

‘Omdat de eigenaar van ‘Keenes Handelswaar’ – de grootste onderneming in Northridge – niet van plan is om op te dagen bij het kerstspel nadat hij een speciale uitnodiging heeft gehad, denken de kinderen dat Kerst, het kerstspel en de kerk niet belangrijk zijn. Nou, ik wil dat je deze kinderen vertelt dat het wél belangrijk is en dat je bij het kerstspel aanwezig zult zijn.’ De ogen van mevrouw Angie verlieten het gezicht van meneer Keene geen seconde.

‘Nee, Angie!’ riep hij uit. ‘Ik zal zoiets niet beloven. Ik ben niet meer in de kerk geweest sinds…’ Meneer Keene schoof met z’n voeten. ‘Nee, ik kan die belofte niet maken’, zei hij.

‘Oké, Zachary. We laten het zo: als kerst belangrijk is, zien we je met kerstnacht in de kerk. Zo niet, nou…’ Mevrouw Angies stem vervaagde. Ze haalde diep adem. ‘Het is aan jou, Zachary. Wat de kinderen van deze gemeenschap zullen worden is in jouw handen. Kom, kinderen. Goedendag, Zachary.’

Meneer Keene werd alleen achtergelaten.

Volgende week het laatste deel van dit mooie kerstverhaal!

Tags:
Vorig artikel

Wallpaper: Het Licht

Volgend artikel

Kom, laten wij aanbidden!