Jubelend-van-vreugde

Jubelend van vreugde!

Voormalig senator John McCain uit Arizona, USA, herinnerde zich de hel op aarde, toen hij vijf en een half jaar lang als krijgsgevangene in Noord-Vietnam verbleef. Hij en zijn medegevangenen leefden van de ene op de andere afschuwelijke dag, als ze niet al waren gestorven. Maar toen was daar één onvergetelijke kerstavond…

We zongen het net iets harder dan fluisterend, onze blikken angstig werpend op de met tralies omsloten ramen, wakend voor een teken van een bewaker. Jubelend van vreugde?

Gekleed in gescheurde kleren voor krijgsgevangenen, keek ik rond naar 24 mannen, opeengehoopt in een Noord-Vietnamese gevangeniscel. De lichtbollen die aan het plafond hingen, verlichtten een groep magere en zwaar ongelukkige mannen –  mannen die eens gladgeschoren, uitermate fitte piloten en navigators in de luchtmacht en marine waren geweest. We rilden van de vochtige nachtlucht en de koorts, waardoor een enkeling van ons last had. Sommige mannen liepen voorgoed voorovergebogen als gevolg van marteling; anderen hinkten of leunden op handgemaakte krukken.

Wat waren we een zielig gezicht. Toch waren we hier, op deze kerstavond in 1971, voor het eerst bij elkaar, sommigen na zeven jaren van pijnlijke isolatie en mishandeling door een wrede vijand. We vierden Kerstmis – de meest speciale Kerstmis die een ieder van ons ooit mee zou maken. In eerdere jaren waren er al kerstdiensten in Noord-Vietnam, maar deze waren levenloze, belachelijke toneelspelen, gearrangeerd door de Vietnamezen voor propagandadoeleinden. Dit was onze kerstdienst, de enige die we ooit mochten houden – alhoewel we vreesden dat onze onderdrukkers op elk moment van gedachten zouden kunnen veranderen.

Ik was als predikant aangewezen door de oudste in de rang van P.O.W.-officier, kolonel George ‘Bud’ Day, USAF (luchtmacht). Terwijl we ‘Komt allen tezamen’ zongen, keek ik naar de paar blaadjes waarop ik de Bijbelverzen over Jezus’ geboorte had geschreven. Ik herinnerde me hoe, een week eerder, kolonel Day de kampleider had gevraagd om een Bijbel. ‘Nee’, werd hem verteld; er waren geen Bijbels in Noord-Vietnam. Maar vier dagen later kwam de kampleider in onze gemeenschappelijke cel om het volgende bekend te maken: ‘We hebben één Bijbel gevonden in Hanoi, en je mag één persoon aanwijzen om er wat van over te schrijven voor een paar minuten.’ Kolonel Day had mij gevraagd deze taak uit te voeren.

Haastig bladerde ik door het versleten boek dat de Vietnamezen op een tafel net buiten onze celdeur hadden gelegd, op de binnenplaats van de gevangenis. In een razend tempo heb ik de passages over het kerstfeest overgeschreven, totdat er een bewaker kwam en de Bijbel wegnam.

De dienst was eenvoudig. Na het ‘Onze Vader’ te hebben opgezegd, zongen we kerstliederen. Sommigen van ons galmden de woorden uit totdat onze stemmen werden opgenomen in onze met pijn bewolkte herinneringen. Tussen elk gezang las ik een stukje van het verhaal van Jezus’ geboorte.

‘‘Wees niet bang,’ zei hij, ‘want ik breng u het mooiste nieuws dat u ooit hebt gehoord. Het is groot nieuws voor het hele volk. Vandaag is in Bethlehem de Redder geboren: Christus, de Here.’ – Lucas 2:10-11

Kapitein Quincy Collins van de luchtmachtacademie, een voormalig leider van een koor, leidde de gezangen. In het begin durfden wij niet te zingen. Nog steeds stonden de gebeurtenissen van het jaar daarvoor op ons netvlies gebrand. De Noord-Vietnamezen stormden onze kerkdienst binnen en de drie mannen die het gebed leidden, werden in elkaar geslagen en wegsleept om opgesloten te worden. De rest leefde voor elf maanden in gevangenschap in cellen van ongeveer één bij anderhalve meter.

Deze kerstviering was voor een deel een viering van onze terugkeer naar onze vaste gevangenis in Hanoi. Naarmate de dienst vorderde, groeide onze vrijmoedigheid, en het zingen begon aan te zwellen. ‘O, kleine stad van Bethlehem’, ‘Hoor, de engelen zingen d’eer’. Onze stemmen vulden de cel, nauw met elkaar verbonden, toen we het verhaal van het Kind, geboren in een kribbe, met elkaar deelden. Eindelijk was het tijd om misschien wel het meest geliefde kerstlied te zingen:

Een half dozijn van de mannen was te ziek om te kunnen staan. Ze zaten op de verhoogde betonnen slaapbanken die in het midden van de cel stonden. De paar dekens die we hadden, waren geslagen om de trillende schouders van de ziekste mannen, om hen te beschermen tegen de kou. Zelfs deze mannen keken geraakt op terwijl we dat lied zongen.

Tranen rolden over onze ongeschoren gezichten. Plotseling waren we tweeduizend jaar en een halve wereld ver weg in een
stad die Bethlehem heette. En noch oorlog, noch marteling, noch gevangenschap, noch de eeuwen zelf, hadden de hoop, geboren op die stille nacht zo lang geleden, doen verflauwen.

We waren onze wonden, onze honger en onze pijn vergeten. We hieven gebeden van dank op voor het Christuskind, voor onze families, ons thuis en ons land. Er was een absoluut volmaakt gevoel dat al onze lasten waren opgetild. In een plaats die gemaakt is om van mensen verdorven wezens te maken, klemden we ons aan elkaar vast, terwijl we ons comfort met elkaar deelden.

Sommigen van ons hadden primitieve geschenken gemaakt. Eén makker had een waardevol goed – een katoenen wasdoek. Hij had ergens naald en draad gevonden en had het doek omgetoverd in een hoed, die hij aan ‘Bud’ Day gaf. Sommige mannen wisselden labels van honden uit. Anderen hadden lepels van de gevangenis gebruikt om IOU’s (I owe you) op stukjes papier uit te krassen – een denkbeeldig iets wat we een ander wensten te hebben.

We wisselden die briefjes uit met glimlachjes en dankbetuigingen vol tranen. De Vietnamese bewakers verstoorden ons niet. Maar terwijl ik naar de met tralies omsloten ramen keek, wenste ik dat ze naar binnen hadden gekeken. Ik wilde dat ze ons zagen – ja, jubelend van vreugde.

Tags: