Jacob-ik-houd-van-je

‘Jacob, Ik houd van je!’

Jacob was een Oost-Europese Jood. Hij had een succesvolle carrière, was getrouwd met een niet-Joodse vrouw en had één zoon. Toen brak de Tweede Wereldoorlog uit en vond de deportatie van de Joden plaats.

Zijn Joodse identiteit was niet overal bekend, en door zijn huwelijk dacht hij ervoor behoed te kunnen worden om naar een gevangenkamp te gaan. Maar toen hij op een dag van zijn werk thuiskwam, zag hij tot zijn grote schrik dat de Gestapo op hem wachtte.

Ze pakten hem beet en voerden hem weg naar de trein. Zijn gedachten waren niet helder, en hij vroeg zich af wie hem verraden had. Terwijl ze hem wegsleepten, riep hij naar een van de soldaten dat hij zijn vrouw wilde omhelzen voordat hij vertrok. De soldaat lachte wreed en zei: ‘Jij, dwaas. Weet je dan niet dat je vrouw ons gewaarschuwd heeft?’ ‘Jij leugenaar!’ riep Jacob. ‘Ze zou nooit zoiets doen!’ Maar de soldaat antwoordde: ‘Dan moet jij wel de enige zijn die het niet weet. Je vrouw heeft een relatie met de hoofdcommissaris van politie.’ Jacob keek met ongeloof en afschuw om naar zijn vrouw. Maar de uitdrukking van schuld op haar gezicht en het feit dat ze hem niet in de ogen kon kijken, bevestigden dat het waar was.

De volgende vijf jaar van zijn leven bracht hij door in het gevangenkamp. Verschillende keren was hij bijna dood. Hij hoopte dat dit echt zo was. De bitterheid en de wanhoop die hem vervulden, waren alles wat hem eraan herinnerde dat hij nog levend was.

Eén ding gaf hem af en toe een sprankje hoop. Als hij het gevangenkamp kon overleven, dan zou zijn zoon misschien nog thuis zijn en zouden ze herenigd kunnen worden. Dat was de enige gedachte die licht bracht in zijn duisternis.

Eindelijk was de oorlog voorbij en kwam hij vrij. Terwijl hij de lange reis naar huis maakte, werd hij helemaal in beslag genomen door maar één gedachte: het intense verlangen om zijn zoon te zien. Toen hij in zijn geboorteplaats was aangekomen, vertelde men hem dat zijn vrouw jaren geleden vertrokken was naar een onbekende bestemming, ergens in Noord-Europa.

Ze had hun zoon meegenomen. Hij wist nu dat hij zijn zoon nooit meer zou zien. Zijn laatste hoop was verdwenen. Hij was psychisch ziek, uitgemergeld, had vreselijke honger, en geen cent. Hij kon nergens heen. Dus ging hij naar een parkbank waar de zwervers van de stad bij elkaar kwamen.

Zelfs in zijn ellende kon hij de ironie niet over het hoofd zien. Dit waren de mannen aan wie hij vroeger kleingeld had gegeven op weg naar zijn werk. Nu was hij een van hen.

Het duurde niet lang of de politie arresteerde hem vanwege rondslenteren. Hij vertelde de politie dat het een opluchting was. In de gevangenis zou hij ten minste wat te eten krijgen en een slaapplaats. Ze zagen onmiddellijk dat hij geen zwerver uit een achterbuurt was, maar een man in grote nood.

Ze vroegen hem of hij familie had. Hij zei dat hij één broer had die hij vanaf zijn tienerjaren niet meer gezien had, die nu in Tel Aviv woonde. De regering besloot zijn ticket te betalen en hem daarheen te sturen, omdat ze niet wisten wat ze met hem moesten beginnen.

Jacob kwam in Israël aan zonder geld. Hij had een week bijna niet gegeten en was verschrikkelijk ziek. Hij ging naar het huis van zijn broer, maar hij wilde hem niet binnenlaten. Dat is bijna ongehoord in de Joodse cultuur. Maar zijn broer had hem in geen jaren gezien en weigerde te geloven dat deze verwilderde, arme zwerver bij zijn deur echt zijn broer Jacob was. Hij zei hem om met papieren terug te komen om te bewijzen dat hij het echt was. Maar Jacob gaf hem niet de kans om erachter te komen. Hij kon de vernedering van nog een afwijzing niet verdragen.

Nu was hij bijna te arm om aan de middelen te komen om zichzelf van kant te maken. En te moe. Dus vond hij een andere parkbank waar het laagste van het laagste bij elkaar kwam. Daar wachtte hij op zijn dood. Hij at niet, omdat er niets te eten was.

In zijn eigen land was hij ermee begonnen om voedsel te bedelen, maar hier kon hij de vernedering ervan niet verdragen. Het enige waaraan hij dacht, was doodgaan. Hij wist dat het nu nog maar een kwestie van dagen was.

Dagen gingen voorbij terwijl hij daar op die parkbank lag. Toen zag hij in de verte een blond, goed uitziend tienermeisje, waarschijnlijk een Amerikaanse, dat het park inliep met een vriend. Hij vroeg zich af wat iemand die er zo onschuldig en engelachtig uitzag, in een park voor zwervers deed.

Hij deed zijn ogen dicht. Plotseling hoorde hij een zachte stem die tot hem sprak. Jacob opende zijn ogen, en tot zijn verbazing zag hij haar naar hem kijken met een bewogenheid en oprechtheid die hem overrompelde.

Het was de eerste keer in zes jaar dat hij iemand vriendelijk tegen hem hoorde spreken. Hij wist niet of hij uit dankbaarheid wilde huilen, of uit cynisme lachen. Maar haar bezorgdheid ontroerde hem, of hij wilde of niet.

‘Wat wil je?’ snauwde hij haar toe. ‘Meneer, ik moest eigenlijk niet in dit park zijn. Ik ben bij de verkeerde halte uit de bus gestapt. Maar toen ik u zag, en de vreselijke droefheid op uw gezicht, kon ik gewoon niet weggaan zonder u iets te zeggen’, zei ze zachtjes.

‘Waarom stap je niet weer in de bus en laat je me met rust!’ snauwde hij. Hij schrok toen hij hoorde dat hij net zo knorrig klonk als de zwervers die hij vroeger geld gaf. ‘Meneer, ik was bang om hiernaartoe te komen, maar ik heb het gevoel dat God wil dat ik u iets vertel, voordat ik weer in de bus stap. Ik wou dat ik wist hoe ik het beter kon zeggen, maar… Wel, meneer, Jezus houdt van u. Hij houdt van u. Echt waar.’

Hij keek haar vol ongeloof aan. Dit kind vertelde hem dat iemand in de hemel van hem hield? Na de hel waar hij doorheen was gegaan, alle vernedering die hij ondergaan had, al de woede die zijn ziel zo veel jaren gevuld had. En nu vertelde deze naïeve Amerikaanse, die waarschijnlijk nooit een dag van echt lijden had gekend, die een beschut en beschermd leven had geleid, dat een of andere niet-Joodse God van hem hield. Hij wist niet of hij woedend was door de brutaliteit, of bewogen dat ze de moeite nam om met hem te praten.

Maar toen hij opkeek naar haar gezicht, zag hij tranen over haar wangen stromen. Tot zijn verbazing begon hij ook te huilen. ‘Niemand zou van me kunnen houden, kind. Het is te laat voor me’, zei hij tussen het snikken door. ‘Nee’, antwoordde ze dringend, terwijl ze zijn magere, ruwe hand in de hare nam. ‘Het is niet te laat. God zal u met plezier aannemen, als u Hem dat maar toestaat. Vertel Hem gewoon dat u dat wilt. Hij zal van u houden en u helpen.’

Hij zei dat hij op dat moment wist dat Iemand Zijn handen via haar naar hem uitstrekte. Hij had zich geen onwaarschijnlijker boodschapper kunnen indenken. Maar hij wist diep vanbinnen dat hij in zijn laatste uur hulp aangeboden kreeg. De keuze was aan hem. Hij besloot die hulp aan te nemen. Hij bad met dit meisje op een of andere parkbank in een uithoek, in zijn eigen taal.

Toen keek hij haar aan en zei: ‘Ik ben dankbaar, meer dan je je kunt voorstellen. Maar ik ben erg ziek. Ik ga dood.’ Toen hielpen het meisje en de jongen die met haar was, hem overeind en ze namen hem met de bus mee naar het huis waar ze logeerden.

Het gezin verpleegde Jacob een jaar lang tot hij weer gezond was. In de loop van dat jaar deelden ze hun geloof met hem, lazen hem voor uit de Bijbel en baden met hem.

Wat begon met de roep van een stervende man aan God om hem te laten sterven, werd uiteindelijk een totale toewijding van zijn leven en ziel aan zijn Messias. Hij lachte en zei tegen ons: ‘Het probleem met jullie niet-Joden is dat jullie steeds vergeten dat Jezus een Jood was. Hij was eerst van ons!’

Jacob vond uiteindelijk een goede baan en woonde in zijn eigen flat. Hij ging terug naar zijn broer en verzoende zich met hem. Hij kwam rond zijn vijftigste tot het geloof. Toen ik hem ontmoette, was hij begin zeventig. Ik zal nooit de uitdrukking op zijn gezicht vergeten, toen hij vertelde wat Jezus voor hem betekende.

Jacob: ‘Het zou zo makkelijk geweest zijn om dat meisje af te wijzen. Om ervoor te kiezen al die jaren van boosheid en ontgoocheling in mijn hart te koesteren. Maar te bedenken dat God Zijn handen naar mij uitstrekte, mij een thuis gaf, en een gezin dat van mij hield, herstelde mijn gezondheid, en vulde mijn hart met een blijdschap en vreugde die ik nooit voor mogelijk hield!

Weet je wat ik wil doen als ik in de hemel kom? Ik wil degene zijn die een beker water aanbiedt aan al de anderen. Wat zou ik ooit kunnen doen om mijn dankbaarheid aan God uit te drukken voor alles wat Hij voor mij heeft gedaan? Hoe zal ik Jezus ooit genoeg kunnen danken?

Er is zo veel in mijn leven gebeurd, sinds dat moment twintig jaar geleden. Maar dat ene feit dat me het allermeest versteld doet staan, is dat het meisje gelijk had. Jezus houdt van mij. Hij houdt echt van mij.’

Lees ook: ‘Bemoedigende woorden: Gods Liefde’

Tags: